10. En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? Hoor, het
bloed van uw broeder roept tot Mij van de
aardbodem.
10. E disse Deus: Que fizeste? A voz do sangue
de teu irmão está clamando a mim desde a terra.
11. En nu, vervloekt zijt gij, ver van de bodem,
die zijn mond heeft opengesperd om het bloed
van uw broeder van uw hand te ontvangen.
11. Agora maldito és tu desde a terra, que abriu a
sua boca para da tua mão receber o sangue de teu
irmão.
12. Wanneer gij de aardbodem bewerken zult, zal
hij u zijn volle opbrengst niet meer geven; een
zwerver en een vluchteling zult gij op de aarde
zijn.
12. Quando lavrares a terra, não te dará mais a
sua força; fugitivo e vagabundo serás na terra.
13. Toen zeide Kain tot de Here: Mijn misdaad is
te groot om de straf te dragen.
13. Então disse Caim ao Senhor: É maior a minha
punição do que a que eu possa suportar.
14. Zie, Gij verdrijft mij heden uit het land en ik
zal voor uw aangezicht verborgen zijn, een
zwerver en een vluchteling op de aarde; ieder, die
mij aantreft, zal mij doden.
14. Eis que hoje me lanças da face da terra;
também da tua presença ficarei escondido; serei
fugitivo e vagabundo na terra; e qualquer que me
encontrar matar-me-á.
15. Toen zeide de Here tot hem: Geenszins; ieder,
die Kain doodt, zal zevenvoudig boeten. En de
Here stelde een teken aan Kain, dat niemand, die
hem zou aantreffen, hem zou verslaan.
15. O Senhor, porém, lhe disse: Portanto quem
matar a Caim, sete vezes sobre ele cairá a
vingança. E pôs o Senhor um sinal em Caim, para
que não o ferisse quem quer que o encontrasse.
16. Toen ging Kain weg van het aangezicht des
Heren, en ging wonen in het land Nod, ten oosten
van Eden.
16. Então saiu Caim da presença do Senhor, e
habitou na terra de Node, ao oriente do Éden.
17. En Kain had gemeenschap met zijn vrouw en
zij werd zwanger en baarde Henoch; daarna werd
hij de stichter van een stad en hij noemde deze
stad naar zijn zoon Henoch.
17. Conheceu Caim a sua mulher, a qual
concebeu, e deu à luz a Enoque. Caim edificou
uma cidade, e lhe deu o nome do filho, Enoque.
18. En aan Henoch werd Irad geboren en Irad
verwekte Mechujaël, en Mechujaël verwekte
Metusaël, en Metusaël verwekte Lamech.
18. A Enoque nasceu Irade, e Irade gerou a
Meüjael, e Meüjael gerou a Metusael, e Metusael
gerou a Lameque.
19. En Lamech nam zich twee vrouwen; de ene
heette Ada, en de andere Silla.
19. Lameque tomou para si duas mulheres: o
nome duma era Ada, e o nome da outra Zila.
20. En Ada baarde Jabal; hij is de vader
geworden van hen, die in tenten en bij de kudde
wonen.
20. E Ada deu à luz a Jabal; este foi o pai dos que
habitam em tendas e possuem gado.
21. En de naam van zijn broeder was Jubal; hij is
de vader geworden van allen, die citer en fluit
bespelen.
21. O nome do seu irmão era Jubal; este foi o pai
de todos os que tocam harpa e flauta.
22. En Silla baarde eveneens, namelijk Tubal-
kain, de vader van de smeden, allen, die koper en
ijzer bewerken. En de zuster van Tubal-kain was
Naama.
22. A Zila também nasceu um filho, Tubal-Caim,
fabricante de todo instrumento cortante de cobre e
de ferro; e a irmã de Tubal-Caim foi Naama.
23. En Lamech zeide tot zijn vrouwen: Ada en
Silla, hoort naar mijn stem; vrouwen van
Lamech, neigt uw oor tot mijn rede. Ik sloeg een
man dood om mijn wonde, een knaap om mijn
striem;
23. Disse Lameque a suas mulheres: Ada e Zila,
ouvi a minha voz; escutai, mulheres de Lameque,
as minhas palavras; pois matei um homem por me
ferir, e um mancebo por me pisar.
24. want Kain wordt zevenvoudig gewroken,
maar Lamech zevenenzeventig maal!
24. Se Caim há de ser vingado sete vezes, com
certeza Lameque o será setenta e sete vezes.
7