25. En Adam had weer gemeenschap met zijn
vrouw en zij baarde een zoon en gaf hem de naam
Set, want zeide zij God heeft mij een andere zoon
gegeven in plaats van Abel; hem immers heeft
Kain gedood.
25. Tornou Adão a conhecer sua mulher, e ela
deu à luz um filho, a quem pôs o nome de Sete;
porque, disse ela, Deus me deu outro filho em
lugar de Abel; porquanto Caim o matou.
26. En ook aan Set werd een zoon geboren, en hij
noemde hem Enos. Toen begon men de naam des
Heren aan te roepen.
26. A Sete também nasceu um filho, a quem pôs
o nome de Enos. Foi nesse tempo, que os homens
começaram a invocar o nome do Senhor.
Genesis 5
Gênesis 5
1. Dit is het geslachtsregister van Adam. Ten
dage, dat God Adam schiep, maakte Hij hem naar
de gelijkenis Gods;
1. Este é o livro das gerações de Adão. No dia em
que Deus criou o homem, à semelhança de Deus
o fez.
2. man en vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende
hen en noemde hen 'mens' ten dage, dat zij
geschapen werden.
2. Homem e mulher os criou; e os abençoou, e os
chamou pelo nome de homem, no dia em que
foram criados.
3. Toen Adam honderd dertig jaar geleefd had,
verwekte hij een zoon naar zijn gelijkenis, als zijn
beeld, en noemde hem Set.
3. Adão viveu cento e trinta anos, e gerou um
filho à sua semelhança, conforme a sua imagem,
e pôs-lhe o nome de Sete.
4. En de dagen van Adam, nadat hij Set verwekt
had, waren achthonderd jaar, en hij verwekte
zonen en dochteren.
4. E foram os dias de Adão, depois que gerou a
Sete, oitocentos anos; e gerou filhos e filhas.
5. Zo waren al de dagen van Adam, die hij
geleefd heeft, negenhonderd dertig jaar; en hij
stierf.
5. Todos os dias que Adão viveu foram
novecentos e trinta anos; e morreu.
6. Toen Set honderd vijf jaar geleefd had,
verwekte hij Enos.
6. Sete viveu cento e cinco anos, e gerou a Enos.
7. En Set leefde, nadat hij Enos verwekt had,
achthonderd zeven jaar, en hij verwekte zonen en
dochteren.
7. Viveu Sete, depois que gerou a Enos,
oitocentos e sete anos; e gerou filhos e filhas.
8. Zo waren al de dagen van Set negenhonderd
twaalf jaar; en hij stierf.
8. Todos os dias de Sete foram novecentos e doze
anos; e morreu.
9. Toen Enos negentig jaar geleefd had, verwekte
hij Kenan.
9. Enos viveu noventa anos, e gerou a Quenã.
10. En Enos leefde, nadat hij Kenan verwekt had,
achthonderd vijftien jaar, en hij verwekte zonen
en dochteren.
10. viveu Enos, depois que gerou a Quenã,
oitocentos e quinze anos; e gerou filhos e filhas.
11. Zo waren al de dagen van Enos negenhonderd
vijf jaar; en hij stierf.
11. Todos os dias de Enos foram novecentos e
cinco anos; e morreu.
12. Toen Kenan zeventig jaar geleefd had,
verwekte hij Mahalalel.
12. Quenã viveu setenta anos, e gerou a Maalalel.
13. En Kenan leefde, nadat hij Mahalalel verwekt
had, achthonderd veertig jaar, en hij verwekte
zonen en dochteren.
13. Viveu Quenã, depois que gerou a Maalalel,
oitocentos e quarenta anos, e gerou filhos e filhas.
14. Zo waren al de dagen van Kenan
negenhonderd tien jaar; en hij stierf.
14. Todos os dias de Quenã foram novecentos e
dez anos; e morreu.
15. Toen Mahalalel vijfenzestig jaar geleefd had,
verwekte hij Jered.
15. Maalalel viveu sessenta e cinco anos, e gerou
a Jarede.
16. En Mahalalel leefde, nadat hij Jered verwekt
had, achthonderd dertig jaar, en hij verwekte
zonen en dochteren.
16. Viveu Maalalel, depois que gerou a Jarede,
oitocentos e trinta anos; e gerou filhos e filhas.
8