4. De reuzen waren in die dagen op de aarde, en
ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters
der mensen kwamen, en zij hun kinderen
baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd,
mannen van naam.
4. Naqueles dias estavam os nefilins na terra, e
também depois, quando os filhos de Deus
conheceram as filhas dos homens, as quais lhes
deram filhos. Esses nefilins eram os valentes, os
homens de renome, que houve na antigüidade.
5. Toen de Here zag, dat de boosheid des mensen
groot was op de aarde en al wat de overleggingen
van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts
boos was,
5. Viu o Senhor que era grande a maldade do
homem na terra, e que toda a imaginação dos
pensamentos de seu coração era má
continuamente.
6. berouwde het de Here, dat Hij de mens op de
aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn
hart.
6. Então arrependeu-se o Senhor de haver feito o
homem na terra, e isso lhe pesou no coração.
7. En de Here zeide: Ik zal de mensen, die Ik
geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de
mensen zowel als het vee en het kruipend
gedierte en het gevogelte des hemels, want het
berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.
7. E disse o Senhor: Destruirei da face da terra o
homem que criei, tanto o homem como o animal,
os répteis e as aves do céu; porque me arrependo
de os haver feito.
8. Maar Noach vond genade in de ogen des
Heren.
8. Noé, porém, achou graça aos olhos do Senhor.
9. Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was
onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en
onberispelijk man; Noach wandelde met God.
9. Estas são as gerações de Noé. Era homem justo
e perfeito em suas gerações, e andava com Deus.
10. En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham
en Jafet.
10. Gerou Noé três filhos: Sem, Cão e Jafé.
11. De aarde nu was verdorven voor Gods
aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij.
11. A terra, porém, estava corrompida diante de
Deus, e cheia de violência.
12. En God zag de aarde aan, en zie, zij was
verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de
aarde verdorven.
12. Viu Deus a terra, e eis que estava corrompida;
porque toda a carne havia corrompido o seu
caminho sobre a terra.
13. Toen zeide God tot Noach: Het einde van al
wat leeft is door Mij besloten, want door hun
schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga
hen met de aarde verdelgen.
13. Então disse Deus a Noé: O fim de toda carne
é chegado perante mim; porque a terra está cheia
da violência dos homens; eis que os destruirei
juntamente com a terra.
14. Maak u een ark van goferhout; met vakken
zult gij de ark maken en haar van binnen en van
buiten met pek bestrijken.
14. Faze para ti uma arca de madeira de gôfer:
farás compartimentos na arca, e a revestirás de
betume por dentro e por fora.
15. En zo zult gij haar maken: driehonderd el zal
de lengte der ark zijn, vijftig el haar breedte en
dertig el haar hoogte.
15. Desta maneira a farás: o comprimento da arca
será de trezentos côvados, a sua largura de
cinqüenta e a sua altura de trinta.
16. Gij zult aan de ark een lichtopening maken,
en een el van boven af zult gij die afwerken, en
de ingang der ark zult gij in haar zijkant
aanbrengen; met een onderste, een tweede en een
derde verdieping zult gij haar maken.
16. Farás na arca uma janela e lhe darás um
côvado de altura; e a porta da arca porás no seu
lado; fá-la-ás com andares, baixo, segundo e
terceiro.
17. Want zie, Ik ga een watervloed over de aarde
brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest
is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op
de aarde is, zal omkomen.
17. Porque eis que eu trago o dilúvio sobre a
terra, para destruir, de debaixo do céu, toda a
carne em que há espírito de vida; tudo o que há na
terra expirará.
18. Maar met u zal Ik mijn verbond oprichten, en
gij zult in de ark gaan, gij en uw zonen en uw
vrouw en de vrouwen uwer zonen met u.
18. Mas contigo estabelecerei o meu pacto;
entrarás na arca, tu e contigo teus filhos, tua
mulher e as mulheres de teus filhos.
10