Page 8 - fullnew

This is a SEO version of fullnew. Click here to view full version

« Previous Page Table of Contents Next Page »
4. De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult
geenszins sterven,
4. Disse a serpente à mulher: Certamente não
morrereis.
5. maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan
eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als
God zult zijn, kennende goed en kwaad.
5. Porque Deus sabe que no dia em que comerdes
desse fruto, vossos olhos se abrirão, e sereis como
Deus, conhecendo o bem e o mal.
6. En de vrouw zag, dat de boom goed was om
van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen,
ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor
verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht
en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was,
en hij at.
6. Então, vendo a mulher que aquela árvore era
boa para se comer, e agradável aos olhos, e árvore
desejável para dar entendimento, tomou do seu
fruto, comeu, e deu a seu marido, e ele também
comeu.
7. Toen werden hun beider ogen geopend, en zij
bemerkten, dat zij naakt waren; zij hechtten
vijgebladeren aaneen en maakten zich schorten.
7. Então foram abertos os olhos de ambos, e
conheceram que estavam nus; pelo que coseram
folhas de figueira, e fizeram para si aventais.
8. Toen zij het geluid van de Here God hoorden,
die in de hof wandelde in de avondkoelte,
verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de
Here God tussen het geboomte in de hof.
8. E, ouvindo a voz do Senhor Deus, que
passeava no jardim à tardinha, esconderam-se o
homem e sua mulher da presença do Senhor
Deus, entre as árvores do jardim.
9. En de Here God riep de mens tot Zich en zeide
tot hem: Waar zijt gij?
9. Mas chamou o Senhor Deus ao homem, e
perguntou-lhe: Onde estás?
10. En hij zeide: Toen ik uw geluid in de hof
hoorde, werd ik bevreesd, want ik ben naakt;
daarom verborg ik mij.
10. Respondeu-lhe o homem: Ouvi a tua voz no
jardim e tive medo, porque estava nu; e escondi-
me.
11. En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven,
dat gij naakt zijt? Hebt gij van de boom gegeten,
waarvan Ik u verboden had te eten?
11. Deus perguntou-lhe mais: Quem te mostrou
que estavas nu? Comeste da árvore de que te
ordenei que não comesses?
12. Toen zeide de mens: De vrouw, die Gij aan
mijn zijde gesteld hebt, die heeft mij van de boom
gegeven en toen heb ik gegeten.
12. Ao que respondeu o homem: A mulher que
me deste por companheira deu-me a árvore, e eu
comi.
13. Daarop zeide de Here God tot de vrouw: Wat
hebt gij daar gedaan? En de vrouw zeide: De
slang heeft mij verleid en toen heb ik gegeten.
13. Perguntou o Senhor Deus à mulher: Que é
isto que fizeste? Respondeu a mulher: A serpente
enganou-me, e eu comi.
14. Daarop zeide de Here God tot de slang:
Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder
al het vee en onder al het gedierte des velds; op
uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang
gij leeft.
14. Então o Senhor Deus disse à serpente:
Porquanto fizeste isso, maldita serás tu dentre
todos os animais domésticos, e dentre todos os
animais do campo; sobre o teu ventre andarás, e
pó comerás todos os dias da tua vida.
15. En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de
vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u
de kop vermorzelen en gij zult het de hiel
vermorzelen.
15. Porei inimizade entre ti e a mulher, e entre a
tua descendência e a sua descendência; esta te
ferirá a cabeça, e tu lhe ferirás o calcanhar.
16. Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer
vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met
smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal
uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen.
16. E à mulher disse: Multiplicarei grandemente a
dor da tua conceição; em dor darás à luz filhos; e
o teu desejo será para o teu marido, e ele te
dominará.
17. En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw
vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten,
waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet
eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al
zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft,
17. E ao homem disse: Porquanto deste ouvidos à
voz de tua mulher, e comeste da árvore de que te
ordenei dizendo: Não comerás dela; maldita é a
terra por tua causa; em fadiga comerás dela todos
os dias da tua vida.
18. en doornen en distelen zal hij u voortbrengen,
en gij zult het gewas des velds eten;
18. Ela te produzirá espinhos e abrolhos; e
comerás das ervas do campo.
5