19. in het zweet uws aanschijns zult gij brood
eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert,
omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij
en tot stof zult gij wederkeren.
19. Do suor do teu rosto comerás o teu pão, até
que tornes à terra, porque dela foste tomado;
porquanto és pó, e ao pó tornarás.
20. En de mens noemde zijn vrouw Eva, omdat
zij de moeder van alle levenden is geworden.
20. Chamou Adão à sua mulher Eva, porque era a
mãe de todos os viventes.
21. En de Here God maakte voor de mens en voor
zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen
daarmede.
21. E o Senhor Deus fez túnicas de peles para
Adão e sua mulher, e os vestiu.
22. En de Here God zeide: Zie, de mens is
geworden als Onzer een door de kennis van goed
en kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet
uitstrekken en ook van de boom des levens
nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven.
22. Então disse o Senhor Deus: Eis que o homem
se tem tornado como um de nós, conhecendo o
bem e o mal. Ora, não suceda que estenda a sua
mão, e tome também da árvore da vida, e coma e
viva eternamente.
23. Toen zond de Here God hem weg uit de hof
van Eden om de aardbodem te bewerken, waaruit
hij genomen was.
23. O Senhor Deus, pois, o lançou fora do jardim
do Éden para lavrar a terra, de que fora tomado.
24. En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten
oosten van de hof van Eden de cherubs met een
flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde,
om de weg tot de boom des levens te bewaken.
24. E havendo lançado fora o homem, pôs ao
oriente do jardim do Éden os querubins, e uma
espada flamejante que se volvia por todos os
lados, para guardar o caminho da árvore da vida.
Genesis 4
Gênesis 4
1. De mens nu had gemeenschap met Eva, zijn
vrouw, en zij werd zwanger en baarde Kain; en
zij zeide: Ik heb met des Heren hulp een man
verkregen.
1. Conheceu Adão a Eva, sua mulher; ela
concebeu e, tendo dado à luz a Caim, disse:
Alcancei do Senhor um varão.
2. Voorts baarde zij zijn broeder Abel; en Abel
werd schaapherder, Kain landbouwer.
2. Tornou a dar à luz a um filho - a seu irmão
Abel. Abel foi pastor de ovelhas, e Caim foi
lavrador da terra.
3. Na verloop van tijd nu bracht Kain van de
vruchten der aarde aan de Here een offer;
3. Ao cabo de dias trouxe Caim do fruto da terra
uma oferta ao Senhor.
4. ook Abel bracht er een van de eerstelingen
zijner schapen, van hun vet; en de Here sloeg acht
op Abel en zijn offer,
4. Abel também trouxe dos primogênitos das suas
ovelhas, e da sua gordura. Ora, atentou o Senhor
para Abel e para a sua oferta,
5. maar op Kain en zijn offer sloeg Hij geen acht.
Toen werd Kain zeer toornig en zijn gelaat
betrok.
5. mas para Caim e para a sua oferta não atentou.
Pelo que irou-se Caim fortemente, e descaiu-lhe o
semblante.
6. En de Here zeide tot Kain: Waarom zijt gij
toornig en waarom is uw gelaat betrokken?
6. Então o Senhor perguntou a Caim: Por que te
iraste? e por que está descaído o teu semblante?
7. Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed
handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de
zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte
naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen.
7. Porventura se procederes bem, não se há de
levantar o teu semblante? e se não procederes
bem, o pecado jaz à porta, e sobre ti será o seu
desejo; mas sobre ele tu deves dominar.
8. Maar Kain zeide tot zijn broeder Abel: Laten
wij het veld ingaan. Toen zij nu in het veld
waren, stond Kain tegen zijn broeder Abel op en
doodde hem.
8. Falou Caim com o seu irmão Abel. E, estando
eles no campo, Caim se levantou contra o seu
irmão Abel, e o matou.
9. Toen zeide de Here tot Kain: Waar is uw
broeder Abel? En hij zeide: Ik weet het niet; ben
ik mijns broeders hoeder?
9. Perguntou, pois, o Senhor a Caim: Onde está
Abel, teu irmão? Respondeu ele: Não sei; sou eu
o guarda do meu irmão?
6