Page 29 - fullnew

This is a SEO version of fullnew. Click here to view full version

« Previous Page Table of Contents Next Page »
Genesis 17
Gênesis 17
1. Toen Abram negenennegentig jaar oud was,
verscheen de Here aan Abram en zeide tot hem:
Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn
aangezicht, en wees onberispelijk;
1. Quando Abrão tinha noventa e nove anos,
apareceu-lhe o Senhor e lhe disse: Eu sou o Deus
Todo-Poderoso; anda em minha presença, e sê
perfeito;
2. Ik zal mijn verbond tussen Mij en u stellen, en
u uitermate talrijk maken.
2. e firmarei o meu pacto contigo, e sobremaneira
te multiplicarei.
3. Toen wierp Abram zich op zijn aangezicht en
God sprak tot hem:
3. Ao que Abrão se prostrou com o rosto em
terra, e Deus falou-lhe, dizendo:
4. Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en
gij zult de vader van een menigte volken worden;
4. Quanto a mim, eis que o meu pacto é contigo, e
serás pai de muitas nações;
5. en gij zult niet meer Abram genoemd worden,
maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot
een vader van een menigte volken gesteld heb.
5. não mais serás chamado Abrão, mas Abraão
será o teu nome; pois por pai de muitas nações te
hei posto;
6. Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot
volken stellen, en koningen zullen uit u
voortkomen.
6. far-te-ei frutificar sobremaneira, e de ti farei
nações, e reis sairão de ti;
7. Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u
en uw nageslacht in hun geslachten, tot een
eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een
God te zijn.
7. estabelecerei o meu pacto contigo e com a tua
descendência depois de ti em suas gerações,
como pacto perpétuo, para te ser por Deus a ti e à
tua descendência depois de ti.
8. Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin
gij als vreemdeling vertoeft het ganse land
Kanaan, tot een altoosdurende bezitting geven, en
Ik zal hun tot een God zijn.
8. Dar-te-ei a ti e à tua descendência depois de ti
a terra de tuas peregrinações, toda a terra de
Canaã, em perpétua possessão; e serei o seu
Deus.
9. Voorts zeide God tot Abraham: En wat u
aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw
nageslacht, in hun geslachten.
9. Disse mais Deus a Abraão: Ora, quanto a ti,
guardarás o meu pacto, tu e a tua descendência
depois de ti, nas suas gerações.
10. Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen
Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat
mannelijk is besneden worde;
10. Este é o meu pacto, que guardareis entre mim
e vós, e a tua descendência depois de ti: todo
varão dentre vós será circuncidado.
11. gij zult het vlees van uw voorhuid laten
besnijden, en dat zal tot een teken van het
verbond zijn tussen Mij en u.
11. Circuncidar-vos-eis na carne do prepúcio; e
isto será por sinal de pacto entre mim e vós.
12. Wie acht dagen oud is, zal bij u besneden
worden, al wat mannelijk is in uw geslachten:
zowel wie in uw huis geboren is, als wie van
enige vreemdeling voor geld is gekocht, doch niet
van uw nageslacht is.
12. À idade de oito dias, todo varão dentre vós
será circuncidado, por todas as vossas gerações,
tanto o nascido em casa como o comprado por
dinheiro a qualquer estrangeiro, que não for da
tua linhagem.
13. Wie in uw huis geboren is en wie door u voor
geld gekocht is, moet voorzeker besneden
worden; zo zal mijn verbond in uw vlees zijn tot
een eeuwig verbond.
13. Com efeito será circuncidado o nascido em
tua casa, e o comprado por teu dinheiro; assim
estará o meu pacto na vossa carne como pacto
perpétuo.
14. En de onbesnedene, de man namelijk, die het
vlees van zijn voorhuid niet laat besnijden, die
mens zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten:
hij heeft mijn verbond verbroken.
14. Mas o incircunciso, que não se circuncidar na
carne do prepúcio, essa alma será extirpada do
seu povo; violou o meu pacto.
15. Verder zeide God tot Abraham: Wat uw
vrouw Sarai betreft, gij zult haar niet Sarai
noemen, maar Sara zal haar naam zijn.
15. Disse Deus a Abraão: Quanto a Sarai, tua,
mulher, não lhe chamarás mais Sarai, porem Sara
será o seu nome.
26