29. Toen zeide Abimelek tot Abraham: Wat
betekenen die zeven lammeren hier, die gij
afzonderlijk gezet hebt?
29. E perguntou Abimeleque a Abraão: Que
significam estas sete cordeiras que puseste à
parte?
30. En hij zeide: Voorzeker moet gij de zeven
lammeren uit mijn hand aannemen, opdat het mij
tot een getuigenis zij, dat ik deze put gegraven
heb.
30. Respondeu Abraão: Estas sete cordeiras
receberás da minha mão para que me sirvam de
testemunho de que eu cavei este poço.
31. Daarom noemt men die plaats Berseba, want
die beiden hebben daar gezworen.
31. Pelo que chamou aquele lugar Beer-Seba,
porque ali os dois juraram.
32. Toen zij te Berseba het verbond gesloten
hadden, gingen Abimelek en zijn legeroverste
Pikol heen, en keerden naar het land der
Filistijnen terug.
32. Assim fizeram uma pacto em Beer-Seba.
Depois se levantaram Abimeleque e Ficol, o
chefe do seu exército, e tornaram para a terra dos
filisteus.
33. En Abraham plantte te Berseba een tamarisk,
en riep daar de naam van de Here, de eeuwige
God, aan.
33. Abraão plantou uma tamargueira em Beer-
Seba, e invocou ali o nome do Senhor, o Deus
eterno.
34. En Abraham vertoefde vele dagen als
vreemdeling in het land der Filistijnen.
34. E peregrinou Abraão na terra dos filisteus
muitos dias.
Genesis 22
Gênesis 22
1. Hierna gebeurde het, dat God Abraham op de
proef stelde. Hij zeide tot hem: Abraham, en deze
zeide: Hier ben ik.
1. Sucedeu, depois destas coisas, que Deus
provou a Abraão, dizendo-lhe: Abraão! E este
respondeu: Eis-me aqui.
2. En Hij zeide: Neem toch uw zoon, uw enige,
die gij liefhebt, Isaak, en ga naar het land Moria,
en offer hem daar tot een brandoffer op een der
bergen die Ik u noemen zal.
2. Prosseguiu Deus: Toma agora teu filho; o teu
único filho, Isaque, a quem amas; vai à terra de
Moriá, e oferece-o ali em holocausto sobre um
dos montes que te hei de mostrar.
3. Toen stond Abraham des morgens vroeg op,
zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn knechten
met zich, benevens zijn zoon Isaak; hij kloofde
hout voor het brandoffer, begaf zich op weg en
ging naar de plaats, die God hem genoemd had.
3. Levantou-se, pois, Abraão de manhã cedo,
albardou o seu jumento, e tomou consigo dois de
seus moços e Isaque, seu filho; e, tendo cortado
lenha para o holocausto, partiu para ir ao lugar
que Deus lhe dissera.
4. Toen Abraham op de derde dag zijn ogen
opsloeg, zag hij die plaats in de verte.
4. Ao terceiro dia levantou Abraão os olhos, e viu
o lugar de longe.
5. En Abraham zeide tot zijn knechten: Blijft gij
hier met de ezel, terwijl ik en de jongen daarginds
heengaan; wanneer we hebben aangebeden,
zullen wij tot u terugkeren.
5. E disse Abraão a seus moços: Ficai-vos aqui
com o jumento, e eu e o mancebo iremos até lá;
depois de adorarmos, voltaremos a vós.
6. Toen nam Abraham het hout voor het
brandoffer, legde het op zijn zoon Isaak en nam
vuur en een mes met zich mede. Zo gingen die
beiden tezamen.
6. Tomou, pois, Abraão a lenha do holocausto e a
pôs sobre Isaque, seu filho; tomou também na
mão o fogo e o cutelo, e foram caminhando
juntos.
7. Toen sprak Isaak tot zijn vader Abraham en
zeide: Mijn vader, en deze zeide: Hier ben ik,
mijn zoon. En hij zeide: Hier is het vuur en het
hout, maar waar is het lam ten brandoffer?
7. Então disse Isaque a Abraão, seu pai: Meu pai!
Respondeu Abraão: Eis-me aqui, meu filho!
Perguntou-lhe Isaque: Eis o fogo e a lenha, mas
onde está o cordeiro para o holocausto?
8. En Abraham zeide: God zal Zichzelf voorzien
van een lam ten brandoffer, mijn zoon. Zo gingen
die beiden tezamen.
8. Respondeu Abraão: Deus proverá para si o
cordeiro para o holocausto, meu filho. E os dois
iam caminhando juntos.
36