Page 56 - fullnew

This is a SEO version of fullnew. Click here to view full version

« Previous Page Table of Contents Next Page »
17. En hij vreesde en zeide: Hoe ontzagwekkend
is deze plaats. Dit is niet anders dan een huis
Gods, dit is de poort des hemels.
17. E temeu, e disse: Quão terrível é este lugar!
Este não é outro lugar senão a casa de Deus; e
esta é a porta dos céus.
18. De volgende morgen vroeg nam Jakob de
steen die hij onder zijn hoofd gelegd had, stelde
die tot een opgerichte steen en goot er olie
bovenop.
18. Jacó levantou-se de manhã cedo, tomou a
pedra que pusera debaixo da cabeça, e a pôs
como coluna; e derramou-lhe azeite em cima.
19. En hij noemde die plaats Betel, maar tevoren
was de naam der stad Luz.
19. E chamou aquele lugar Betel; porém o nome
da cidade antes era Luz.
20. En Jakob deed een gelofte: Indien God met
mij zal zijn, en mij behoeden zal op deze weg, die
ik ga, mij zal geven brood om te eten en klederen
om aan te trekken,
20. Fez também Jacó um voto, dizendo: Se Deus
for comigo e me guardar neste caminho que vou
seguindo, e me der pão para comer e vestes para
vestir,
21. en ik behouden tot mijns vaders huis
wederkeer, dan zal de Here mij tot een God zijn.
21. de modo que eu volte em paz à casa de meu
pai, e se o Senhor for o meu Deus,
22. En deze steen, die ik tot een opgerichte steen
gesteld heb, zal een huis Gods wezen, en van
alles wat Gij mij schenken zult, zal ik U stipt de
tienden geven.
22. então esta pedra que tenho posto como coluna
será casa de Deus; e de tudo quanto me deres,
certamente te darei o dízimo.
Genesis 29
Gênesis 29
1. En Jakob begaf zich op weg en ging naar het
land der stammen van het Oosten.
1. Então pôs-se Jacó a caminho e chegou à terra
dos filhos do Oriente.
2. Toen hij rondkeek, zag hij een put in het veld,
en zie, drie kudden kleinvee waren daarbij
gelegerd, want men placht de kudden uit die put
te drenken. De steen op de opening van de put
was groot;
2. E olhando, viu ali um poço no campo, e três
rebanhos de ovelhas deitadas junto dele; pois
desse poço se dava de beber aos rebanhos; e havia
uma grande pedra sobre a boca do poço.
3. als alle kudden daar bijeengedreven waren,
wentelde men de steen van de opening van de put
en drenkte het vee; daarna bracht men de steen
weer op de opening van de put op zijn plaats.
3. Ajuntavam-se ali todos os rebanhos; os
pastores removiam a pedra da boca do poço,
davam de beber às ovelhas e tornavam a pôr a
pedra no seu lugar sobre a boca do poço.
4. En Jakob zeide tot de herders: Mijn broeders,
vanwaar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn uit
Haran.
4. Perguntou-lhes Jacó: Meus irmãos, donde sois?
Responderam eles: Somos de Harã.
5. Daarop zeide hij tot hen: Kent gij ook Laban,
de zoon van Nachor? En zij zeiden: Ja.
5. Perguntou-lhes mais: Conheceis a Labão, filho
de Naor; Responderam: Conhecemos.
6. Vervolgens zeide hij tot hen: Gaat het hem
wel? En zij zeiden: Ja, maar zie daar komt zijn
dochter Rachel aan met het kleinvee.
6. Perguntou-lhes ainda: vai ele bem?
Responderam: Vai bem; e eis ali Raquel, sua
filha, que vem chegando com as ovelhas.
7. Toen zeide hij: Zie, het is nog volop dag, het is
nog geen tijd, dat de kudde bijeengedreven wordt;
drenkt het vee en gaat het weer weiden.
7. Disse ele: Eis que ainda vai alto o dia; não é
hora de se ajuntar o gado; dai de beber às ovelhas,
e ide apascentá-las.
8. Maar zij zeiden: Dat kunnen wij niet, voordat
al de kudden bijeengedreven zijn; dan wentelt
men de steen van de opening van de put, en
drenken wij het vee.
8. Responderam: Não podemos, até que todos os
rebanhos se ajuntem, e seja removida a pedra da
boca do poço; assim é que damos de beber às
ovelhas.
9. Terwijl hij nog met hen sprak, kwam Rachel er
aan met het kleinvee van haar vader, want zij was
een herderin.
9. Enquanto Jacó ainda lhes falava, chegou
Raquel com as ovelhas de seu pai; porquanto era
ela quem as apascentava.
53