Page 55 - fullnew

This is a SEO version of fullnew. Click here to view full version

« Previous Page Table of Contents Next Page »
3. En God, de Almachtige, zegene u, Hij make u
vruchtbaar en vermenigvuldige u, zodat gij tot
een menigte van volken wordt.
3. Deus Todo-Poderoso te abençoe, te faça
frutificar e te multiplique, para que venhas a ser
uma multidão de povos; seu
4. Hij geve u de zegen van Abraham, u en uw
nageslacht met u, zodat gij het land uwer
vreemdelingschap, dat God aan Abraham
gegeven heeft, in bezit krijgt.
4. e te dê a bênção de Abraão, a ti e à tua
descendência contigo, para que herdes a terra de
tuas peregrinações, que Deus deu a Abraão.
5. Zo zond Isaak Jakob weg, en deze ging naar
Paddan-aram, naar Laban, de zoon van Betuel, de
Arameeer, de broeder van Rebekka, de moeder
van Jakob en Esau.
5. Assim despediu Isaque a Jacó, o qual foi a
Padã-Arã, a Labão, filho de Betuel, arameu,
irmão de Rebeca, mãe de Jacó e de Esaú.
6. Toen Esau zag, dat Isaak Jakob gezegend had
en hem met een zegen had weggezonden naar
Paddan-aram, om zich vandaar een vrouw te
nemen, en dat hij hem geboden had: Neem geen
vrouw uit de dochters van Kanaan;
6. Ora, viu Esaú que Isaque abençoara a Jacó, e o
enviara a Padã-Arã, para tomar de lá mulher para
si, e que, abençoando-o, lhe ordenara, dizendo:
Não tomes mulher dentre as filhas de Canaã,
7. en dat Jakob naar zijn vader en zijn moeder
geluisterd had, en naar Paddan-aram gegaan was,
7. e que Jacó, obedecendo a seu pai e a sua mãe,
fora a Padã- Arã;
8. toen Esau nu zag, dat de dochters van Kanaan
zijn vader Isaak zeer mishaagden,
8. vendo também Esaú que as filhas de Canaã
eram más aos olhos de Isaque seu pai,
9. ging hij naar Ismaël, en nam zich bij zijn
vrouwen Machalat, de dochter van Ismaël, de
zoon van Abraham, de zuster van Nebajot, tot
vrouw.
9. foi-se Esaú a Ismael e, além das mulheres que
já tinha, tomou por mulher a Maalate, filha de
Ismael, filho de Abraão, irmã de Nebaiote.
10. Jakob vertrok uit Berseba en ging naar Haran. 10. Partiu, pois, Jacó de Beer-Seba e se foi em
direção a Harã;
11. En hij bereikte een plaats, waar hij bleef
overnachten, omdat de zon ondergegaan was. En
hij nam een van de stenen der plaats, legde die
onder zijn hoofd en ging op die plaats slapen.
11. e chegou a um lugar onde passou a noite,
porque o sol já se havia posto; e, tomando uma
das pedras do lugar e pondo-a debaixo da cabeça,
deitou-se ali para dormir.
12. Toen droomde hij, en zie, op de aarde was
een ladder opgericht, waarvan de top tot aan de
hemel reikte, en zie, engelen Gods klommen
daarlangs op en daalden daarlangs neder.
12. Então sonhou: estava posta sobre a terra uma
escada, cujo topo chegava ao céu; e eis que os
anjos de Deus subiam e desciam por ela;
13. En zie, de Here stond bovenaan en zeide: Ik
ben de Here, de God van uw vader Abraham en
de God van Isaak; het land, waarop gij ligt, zal Ik
aan u en aan uw nageslacht geven.
13. por cima dela estava o Senhor, que disse: Eu
sou o Senhor, o Deus de Abraão teu pai, e o Deus
de Isaque; esta terra em que estás deitado, eu a
darei a ti e à tua descendência;
14. En uw nageslacht zal zijn als het stof der
aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen,
oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw
nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems
gezegend worden.
14. e a tua descendência será como o pó da terra;
dilatar-te-ás para o ocidente, para o oriente, para
o norte e para o sul; por meio de ti e da tua
descendência serão benditas todas as famílias da
terra.
15. En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden
overal waar gij gaat, en Ik zal u wederbrengen
naar dit land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik
gedaan heb wat Ik u heb toegezegd.
15. Eis que estou contigo, e te guardarei por onde
quer que fores, e te farei tornar a esta terra; pois
não te deixarei até que haja cumprido aquilo de
que te tenho falado.
16. Toen Jakob uit zijn slaap ontwaakte, zeide hij:
Waarlijk, de Here is aan deze plaats, en ik heb het
niet geweten.
16. Ao acordar Jacó do seu sono, disse:
Realmente o Senhor está neste lugar; e eu não o
sabia.
52