37. Toen antwoordde Isaak en zeide tot Esau: Zie,
ik heb hem tot een heerser over u gesteld, en al
zijn broederen heb ik hem tot knechten gegeven,
en van koren en most heb ik hem voorzien; wat
kan ik dan voor u doen, mijn zoon?
37. Respondeu Isaque a Esaú: Eis que o tenho
posto por senhor sobre ti, e todos os seus irmãos
lhe tenho dado por servos; e de trigo e de mosto o
tenho fortalecido. Que, pois, poderei eu fazer por
ti, meu filho?
38. Daarop zeide Esau tot zijn vader: Hebt gij
slechts deze ene zegen, mijn vader? Zegen mij,
ook mij, mijn vader! En Esau verhief zijn stem en
weende.
38. Disse Esaú a seu pai: Porventura tens uma
única bênção, meu pai? Abençoa-me também a
mim, meu pai. E levantou Esaú a voz, e chorou.
39. Toen antwoordde zijn vader Isaak en zeide tot
hem: Zie, ver van de vette streken der aarde zal
uw woonplaats zijn, en zonder dauw des hemels
van boven.
39. Respondeu-lhe Isaque, seu pai: Longe dos
lugares férteis da terra será a tua habitação, longe
do orvalho do alto céu;
40. Maar van uw zwaard zult gij leven en uw
broeder zult gij dienen. En het zal geschieden,
wanneer gij u krachtig inspant, dat gij zijn juk
van uw hals zult afrukken.
40. pela tua espada viverás, e a teu irmão,
serviras; mas quando te tornares impaciente,
então sacudirás o seu jugo do teu pescoço.
41. En Esau koesterde wrok tegen Jakob om de
zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had,
en Esau zeide bij zichzelf: De dagen van de rouw
over mijn vader zijn aanstaande; dan zal ik mijn
broeder Jakob doden.
41. Esaú, pois, odiava a Jacó por causa da bênção
com que seu pai o tinha abençoado, e disse
consigo: Vêm chegando os dias de luto por meu
pai; então hei de matar Jacó, meu irmão.
42. Toen aan Rebekka de woorden van Esau, haar
oudste zoon, waren medegedeeld, liet zij Jakob,
haar jongste zoon, roepen, en zeide tot hem: Zie,
uw broeder Esau wil zich op u wreken door u te
doden.
42. Ora, foram denunciadas a Rebeca estas
palavras de Esaú, seu filho mais velho; pelo que
ela mandou chamar Jacó, seu filho mais moço, e
lhe disse: Eis que Esaú teu irmão se consola a teu
respeito, propondo matar-te.
43. Nu dan, mijn zoon, luister naar mij, maak u
gereed, vlucht naar mijn broeder Laban, in Haran,
43. Agora, pois, meu filho, ouve a minha voz;
levanta-te, refugia-te na casa de Labão, meu
irmão, em Harã,
44. en blijf enige tijd bij hem, totdat de
grimmigheid van uw broeder gestild is,
44. e demora-te com ele alguns dias, até que
passe o furor de teu irmão;
45. totdat de toorn van uw broeder van u
afgewend is; als hij vergeten is, wat gij hem hebt
aangedaan, zal ik u vandaar laten halen. Waarom
zou ik op een dag van u beiden beroofd worden?
45. até que se desvie de ti a ira de teu irmão, e ele
se esqueça do que lhe fizeste; então mandarei
trazer-te de lá; por que seria eu desfilhada de vós
ambos num só dia?
46. Voorts zeide Rebekka tot Isaak: Ik walg van
mijn leven om die Hethitische vrouwen; indien
Jakob zich nu ook zo'n Hethitische vrouw neemt
uit de dochters des lands, waarvoor leef ik dan
nog?
46. E disse Rebeca a Isaque: Enfadada estou da
minha vida, por causa das filhas de Hete; se Jacó
tomar mulher dentre as filhas de Hete, tais como
estas, dentre as filhas desta terra, para que
viverei?
Genesis 28
Gênesis 28
1. Toen riep Isaak Jakob en zegende hem, en hij
gebood hem en zeide tot hem: Neem geen vrouw
uit de dochters van Kanaan.
1. Isaque, pois, chamou Jacó, e o abençoou, e
ordenou-lhe, dizendo: Não tomes mulher dentre
as filhas de Canaã.
2. Maak u gereed, ga naar Paddan-aram, naar het
huis van Betuel, de vader van uw moeder, en
neem u vandaar een vrouw uit de dochters van
Laban, de broeder van uw moeder.
2. Levanta-te, vai a Padã-Arã, à casa de Betuel,
pai de tua mãe, e toma de lá uma mulher dentre as
filhas de Labão, irmão de tua mãe.
51