Page 53 - fullnew

This is a SEO version of fullnew. Click here to view full version

« Previous Page Table of Contents Next Page »
23. Doch hij herkende hem niet, omdat zijn
handen behaard waren evenals de handen van zijn
broeder Esau. En hij wilde hem zegenen en zeide:
23. E não o reconheceu, porquanto as suas mãos
estavam peludas, como as de Esaú seu irmão; e
abençoou-o.
24. Zijt gij inderdaad mijn zoon Esau zelf? En hij
zeide: Ja.
24. No entanto perguntou: Tu és mesmo meu
filho Esaú? E ele declarou: Eu o sou.
25. Toen zeide hij: Zet het dicht bij mij, dan wil
ik eten van het wildbraad van mijn zoon, opdat ik
u zegene. Toen zette hij het dicht bij hem, en hij
at; ook bracht hij hem wijn, en hij dronk.
25. Disse-lhe então seu pai: Traze-mo, e comerei
da caça de meu filho, para que a minha alma te
abençoe: E Jacó lho trouxe, e ele comeu; trouxe-
lhe também vinho, e ele bebeu.
26. Daarna zeide zijn vader Isaak tot hem: Kom
toch dichterbij en kus mij, mijn zoon.
26. Disse-lhe mais Isaque, seu pai: Aproxima-te
agora, e beija-me, meu filho.
27. En hij kwam dichterbij en kuste hem. Toen
hij de geur van zijn klederen rook, zegende hij
hem en zeide: Zie, de geur van mijn zoon is als de
geur van het veld, dat de Here gezegend heeft.
27. E ele se aproximou e o beijou; e seu pai,
sentindo-lhe o cheiro das vestes o abençoou, e
disse: Eis que o cheiro de meu filho é como o
cheiro de um campo que o Senhor abençoou.
28. God zal u geven van de dauw des hemels en
van de vette streken der aarde, en overvloed van
koren en most.
28. Que Deus te dê do orvalho do céu, e dos
lugares férteis da terra, e abundância de trigo e de
mosto;
29. Volken zullen u dienen, en natien zich voor u
nederwerpen; wees heerser over uw broederen, en
de zonen uwer moeder zullen zich voor u
nederbuigen. Wie u vervloekt, zij vervloekt, en
wie u zegent, zij gezegend.
29. sirvam-te povos, e nações se encurvem a ti; sê
senhor de teus irmãos, e os filhos da tua mãe se
encurvem a ti; sejam malditos os que te
amaldiçoarem, e benditos sejam os que te
abençoarem.
30. Toen Isaak geeindigd had Jakob te zegenen
en Jakob nog maar nauwelijks van zijn vader
Isaak naar buiten was gegaan, kwam zijn broeder
Esau van de jacht.
30. Tão logo Isaque acabara de abençoar a Jacó, e
este saíra da presença de seu pai, chegou da caça
Esaú, seu irmão;
31. Ook hij bereidde een smakelijk gerecht en
bracht dat aan zijn vader. En hij zeide tot zijn
vader: Mijn vader richte zich op en ete van het
wildbraad van zijn zoon, opdat gij mij zegent.
31. e fez também ele um guisado saboroso e,
trazendo-o a seu pai, disse-lhe: Levanta-te, meu
pai, e come da caça de teu filho, para que a tua
alma me abençoe.
32. En zijn vader Isaak zeide tot hem: Wie zijt
gij? En hij zeide: Ik ben uw eerstgeboren zoon
Esau.
32. Perguntou-lhe Isaque, seu pai: Quem és tu?
Respondeu ele: Eu sou teu filho, o teu
primogênito, Esaú.
33. Toen schrok Isaak geweldig en hij zeide: Wie
was het dan toch, die het wild geschoten en mij
gebracht heeft? En ik heb van alles gegeten, eer
gij kwaamt en heb hem gezegend; ook zal hij
gezegend zijn.
33. Então estremeceu Isaque de um
estremecimento muito grande e disse: Quem,
pois, é aquele que apanhou caça e ma trouxe? Eu
comi de tudo, antes que tu viesses, e abençoei-o,
e ele será bendito.
34. Zodra Esau de woorden van zijn vader
hoorde, gaf hij een luide en bittere schreeuw, en
hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn
vader!
34. Esaú, ao ouvir as palavras de seu pai, bradou
com grande e mui amargo brado, e disse a seu
pai: Abençoa-me também a mim, meu pai!
35. Toen zeide deze: Uw broeder is met bedrog
gekomen en heeft uw zegen weggenomen.
35. Respondeu Isaque: Veio teu irmão e com
sutileza tomou a tua bênção.
36. En hij zeide: Noemt men hem niet terecht
Jakob, omdat hij mij nu al tweemaal bedrogen
heeft? Mijn eerstgeboorterecht heeft hij
weggenomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen
weggenomen. En hij zeide: Hebt gij voor mij
geen zegen overgehouden?
36. Disse Esaú: Não se chama ele com razão
Jacó, visto que já por duas vezes me enganou?
tirou-me o direito de primogenitura, e eis que
agora me tirou a bênção. E perguntou: Não
reservaste uma bênção para mim?
50