7. Breng mij toch een stuk wild en bereid mij een
smakelijk gerecht, opdat ik ete, en ik zal u voor
mijn dood zegenen voor het aangezicht des
Heren.
7. Traze-me caça, e faze-me um guisado
saboroso, para que eu coma, e te abençoe diante
do Senhor, antes da minha morte.
8. Nu dan, mijn zoon, luister naar mij in wat ik u
gebied.
8. Agora, pois, filho meu, ouve a minha voz
naquilo que eu te ordeno:
9. Ga naar de kudde, haal mij vandaar twee
geitebokjes, dan zal ik die tot een smakelijk
gerecht voor uw vader bereiden, zoals hij het
gaarne heeft.
9. Vai ao rebanho, e traze-me de lá das cabras
dois bons cabritos; e eu farei um guisado
saboroso para teu pai, como ele gosta;
10. Breng dit dan aan uw vader om te eten, opdat
hij u zegene voor zijn dood.
10. e levá-lo-ás a teu pai, para que o coma, a fim
de te abençoar antes da sua morte.
11. Maar Jakob zeide tot zijn moeder Rebekka:
Zie, mijn broeder Esau is een ruig man, en ik ben
een onbehaard man.
11. Respondeu, porém, Jacó a Rebeca, sua mãe:
Eis que Esaú, meu irmão, é peludo, e eu sou liso.
12. Misschien zal mijn vader mij betasten; dan
zal ik in zijn ogen zijn als iemand, die de spot met
hem drijft, en ik zal vloek over mij brengen en
geen zegen.
12. Porventura meu pai me apalpará e serei a seus
olhos como enganador; assim trarei sobre mim
uma maldição, e não uma bênção.
13. Maar zijn moeder zeide tot hem: Uw vloek zij
op mij, mijn zoon; luister nu naar mij en ga ze mij
halen.
13. Respondeu-lhe sua mãe: Meu filho, sobre
mim caia essa maldição; somente obedece à
minha voz, e vai trazer-mos.
14. Toen ging hij ze halen en bracht ze aan zijn
moeder, en zijn moeder bereidde een smakelijk
gerecht, zoals zijn vader het gaarne had.
14. Então ele foi, tomou-os e os trouxe a sua mãe,
que fez um guisado saboroso como seu pai
gostava.
15. Ook nam Rebekka de beste klederen van haar
oudste zoon Esau, die bij haar in huis waren, en
liet ze haar jongste zoon Jakob aantrekken.
15. Depois Rebeca tomou as melhores vestes de
Esaú, seu filho mais velho, que tinha consigo em
casa, e vestiu a Jacó, seu filho mais moço;
16. En de vellen der geitebokjes trok zij over zijn
handen en over zijn gladde hals.
16. com as peles dos cabritos cobriu-lhe as mãos
e a lisura do pescoço;
17. Toen stelde zij het smakelijk gerecht en het
brood, dat zij bereid had, haar zoon Jakob ter
hand.
17. e pôs o guisado saboroso e o pão que tinha
preparado, na mão de Jacó, seu filho.
18. Daarop kwam hij bij zijn vader en zeide: Mijn
vader. En deze zeide: Hier ben ik; wie zijt gij,
mijn zoon?
18. E veio Jacó a seu pai, e chamou: Meu pai! E
ele disse: Eis-me aqui; quem és tu, meu filho?
19. En Jakob zeide tot zijn vader: Ik ben Esau, uw
eerstgeborene; ik heb gedaan zoals gij tot mij
gesproken hebt. Richt u op, ga zitten en eet van
mijn wildbraad, opdat gij mij moogt zegenen.
19. Respondeu Jacó a seu pai: Eu sou Esaú, teu
primogênito; tenho feito como me disseste;
levanta-te, pois, senta-te e come da minha caça,
para que a tua alma me abençoe.
20. Daarop zeide Isaak tot zijn zoon: Wat hebt gij
het spoedig gevonden, mijn zoon! En hij zeide:
Omdat de Here, uw God, mij deed slagen.
20. Perguntou Isaque a seu filho: Como é que tão
depressa a achaste, filho meu? Respondeu ele:
Porque o Senhor, teu Deus, a mandou ao meu
encontro.
21. Toen zeide Isaak tot Jakob: Kom toch
dichterbij, opdat ik u betaste, mijn zoon, of gij
inderdaad mijn zoon Esau zijt of niet.
21. Então disse Isaque a Jacó: Chega-te, pois,
para que eu te apalpe e veja se és meu filho Esaú
mesmo, ou não.
22. Jakob dan kwam dichterbij tot zijn vader
Isaak, en deze betastte hem. En hij zeide: De stem
is Jakobs stem, maar de handen zijn Esaus
handen.
22. chegou-se Jacó a Isaque, seu pai, que o
apalpou, e disse: A voz é a voz de Jacó, porém as
mãos são as mãos de Esaú.
49