Page 51 - fullnew

This is a SEO version of fullnew. Click here to view full version

« Previous Page Table of Contents Next Page »
26. En Abimelek ging uit Gerar tot hem, met zijn
vriend Achuzzat en zijn legeroverste Pikol.
26. Então Abimeleque veio a ele de Gerar, com
Aüzate, seu amigo, e Ficol, o chefe do seu
exército.
27. En Isaak zeide tot hen: Waarom komt gij tot
mij, daar gij mij haat, en mij van u weggezonden
hebt?
27. E perguntou-lhes Isaque: Por que viestes ter
comigo, visto que me odiais, e me repelistes de
vós?
28. Daarop zeiden zij: Wij hebben duidelijk
gezien, dat de Here met u is; daarom zeiden wij:
laat er toch een verdrag onder ede tussen ons zijn,
tussen ons en u; en laten wij een verbond met u
sluiten:
28. Responderam eles: Temos visto claramente
que o Senhor é contigo, pelo que dissemos: Haja
agora juramento entre nós, entre nós e ti; e
façamos um pacto contigo,
29. dat gij ons geen kwaad zult doen, evenals wij
u niet aangeraakt hebben, en evenals wij u enkel
goed gedaan hebben en u in vrede hebben laten
heengaan; nu zijt gij de gezegende des Heren.
29. que não nos farás mal, assim como nós não te
havemos tocado, e te fizemos somente o bem, e te
deixamos ir em paz. Agora tu és o bendito do
Senhor.
30. Toen richtte hij hun een maaltijd aan, en zij
aten en dronken.
30. Então Isaque lhes deu um banquete, e
comeram e beberam.
31. De volgende morgen vroeg zwoeren zij
elkander de eed. Daarop deed Isaak hen
uitgeleide, en zij gingen van hem heen in vrede.
31. E levantaram-se de manhã cedo e juraram de
parte a parte; depois Isaque os despediu, e eles se
despediram dele em paz.
32. Te dien dage kwamen de knechten van Isaak
hem bericht brengen over een put die zij gegraven
hadden, en zeiden tot hem: Wij hebben water
gevonden.
32. Nesse mesmo dia vieram os servos de Isaque
e deram-lhe notícias acerca do poço que haviam
cavado, dizendo-lhe: Temos achado água.
33. En hij noemde hem Seba; daarom is de naam
der stad Berseba tot op de huidige dag.
33. E ele chamou o poço Seba; por isso é o nome
da cidade Beer-Seba até o dia de hoje.
34. Toen Esau veertig jaar oud geworden was,
nam hij tot vrouw Jehudit, dochter van de Hethiet
Beeri, en Basemat, dochter van de Hethiet Elon.
34. Ora, quando Esaú tinha quarenta anos, tomou
por mulher a Judite, filha de Beeri, o heteu e a
Basemate, filha de Elom, o heteu.
35. En zij waren een kwelling des geestes voor
Isaak en voor Rebekka.
35. E estas foram para Isaque e Rebeca uma
amargura de espírito.
Genesis 27
Gênesis 27
1. Toen Isaak oud geworden was, werden zijn
ogen zo verzwakt, dat hij niet zien kon. Hij riep
zijn oudste zoon Esau en zeide tot hem: Mijn
zoon. En deze zeide tot hem: Hier ben ik.
1. Quando Isaque já estava velho, e se lhe
enfraqueciam os olhos, de maneira que não podia
ver, chamou a Esaú, seu filho mais velho, e disse-
lhe: Meu filho! Ele lhe respondeu: Eis-me aqui!
2. En hij zeide: Zie toch, ik ben oud geworden, ik
weet de dag van mijn dood niet.
2. Disse-lhe o pai: Eis que agora estou velho, e
não sei o dia da minha morte;
3. Nu dan, neem toch uw wapentuig, uw pijlkoker
en uw boog, en ga uit, het veld in en schiet voor
mij een stuk wild;
3. toma, pois, as tuas armas, a tua aljava e o teu
arco; e sai ao campo, e apanha para mim alguma
caça;
4. bereid mij dan een smakelijk gerecht, zoals ik
het gaarne heb, en breng het mij, opdat ik ete; dan
zal ik u zegenen, eer ik sterf.
4. e faze-me um guisado saboroso, como eu
gosto, e traze-mo, para que eu coma; a fim de que
a minha alma te abençoe, antes que morra.
5. Rebekka had geluisterd, toen Isaak tot zijn
zoon Esau sprak. Nadat Esau het veld ingegaan
was om een stuk wild te schieten en het zijn vader
te brengen,
5. Ora, Rebeca estava escutando quando Isaque
falou a Esaú, seu filho. Saiu, pois, Esaú ao campo
para apanhar caça e trazê-la.
6. zeide Rebekka tot haar zoon Jakob: Zie, ik heb
uw vader horen spreken tot uw broeder Esau:
6. Disse então Rebeca a Jacó, seu filho: Eis que
ouvi teu pai falar com Esaú, teu irmão, dizendo:
48