10. Maar Abimelek zeide: Wat hebt gij ons toch
aangedaan? Licht zou een van het volk bij uw
vrouw hebben kunnen liggen, en dan zoudt gij
schuld over ons gebracht hebben.
10. Replicou Abimeleque: Que é isso que nos
fizeste? Facilmente se teria deitado alguém deste
povo com tua mulher, e tu terias trazido culpa
sobre nós.
11. Toen gebood Abimelek al het volk: Wie deze
man of zijn vrouw aanraakt, zal zeker ter dood
gebracht worden.
11. E Abimeleque ordenou a todo o povo,
dizendo: Qualquer que tocar neste homem ou em
sua mulher, certamente morrerá.
12. En Isaak zaaide in dat land en oogstte in dat
jaar honderdvoudig; want de Here zegende hem.
12. Isaque semeou naquela terra, e no mesmo ano
colheu o cêntuplo; e o Senhor o abençoou.
13. En die man werd rijk, ja gaandeweg rijker,
totdat hij zeer rijk geworden was.
13. E engrandeceu-se o homem; e foi-se
enriquecendo até que se tornou mui poderoso;
14. En hij had kudden kleinvee en runderen en
een talrijke slavenstoet, zodat de Filistijnen hem
benijdden.
14. e tinha possessões de rebanhos e de gado, e
muita gente de serviço; de modo que os filisteus o
invejavam.
15. Al de putten nu, die de knechten van zijn
vader in de dagen van zijn vader Abraham
gegraven hadden, hadden de Filistijnen
dichtgestopt en met aarde gevuld.
15. Ora, todos os poços, que os servos de seu pai
tinham cavado nos dias de seu pai Abraão, os
filisteus entulharam e encheram de terra.
16. Toen zeide Abimelek tot Isaak: Ga van ons
heen, want gij zijt veel machtiger geworden dan
wij.
16. E Abimeleque disse a Isaque: Aparta-te de
nós; porque muito mais poderoso te tens feito do
que nós.
17. Dus ging Isaak vandaar en hij legerde zich in
het dal van Gerar, en woonde daar.
17. Então Isaque partiu dali e, acampando no vale
de Gerar, lá habitou.
18. En Isaak groef de waterputten, die men
gegraven had in de dagen van zijn vader
Abraham, en die de Filistijnen na Abrahams dood
hadden dichtgestopt, weer op, en noemde ze met
dezelfde namen, waarmee zijn vader ze genoemd
had.
18. E Isaque tornou a cavar os poços que se
haviam cavado nos dias de Abraão seu pai, pois
os filisteus os haviam entulhado depois da morte
de Abraão; e deu-lhes os nomes que seu pai lhes
dera.
19. Daarna groeven de knechten van Isaak in het
dal en vonden daar een put met levend water.
19. Cavaram, pois, os servos de Isaque naquele
vale, e acharam ali um poço de águas vivas.
20. Toen twistten de herders van Gerar met de
herders van Isaak en zeiden: Dit water is van ons.
En hij gaf aan die put de naam Esek, omdat zij
met hem getwist hadden.
20. E os pastores de Gerar contenderam com os
pastores de Isaque, dizendo: Esta água é nossa. E
ele chamou ao poço Eseque, porque contenderam
com ele.
21. Toen zij een andere put groeven, twistten zij
ook daarover. En hij noemde die Sitna.
21. Então cavaram outro poço, pelo qual também
contenderam; por isso chamou-lhe Sitna.
22. Toen brak hij vandaar op en groef een andere
put, waarover zij niet twistten. Deze noemde hij
Rechobot, en zeide: Nu heeft de Here ons ruimte
gemaakt, zodat wij vruchtbaar kunnen zijn in het
land.
22. E partiu dali, e cavou ainda outro poço; por
este não contenderam; pelo que chamou-lhe
Reobote, dizendo: Pois agora o Senhor nos deu
largueza, e havemos de crescer na terra.
23. En hij trok vandaar op naar Berseba.
23. Depois subiu dali a Beer-Seba.
24. En de Here verscheen hem in die nacht en
zeide: Ik ben de God van uw vader Abraham;
vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal u zegenen en
uw nageslacht vermenigvuldigen ter wille van
mijn knecht Abraham.
24. E apareceu-lhe o Senhor na mesma noite e
disse: Eu sou o Deus de Abraão, teu pai; não
temas, porque eu sou contigo, e te abençoarei e
multiplicarei a tua descendência por amor do meu
servo Abraão.
25. Toen bouwde hij daar een altaar en riep de
naam des Heren aan. Hij spande daar zijn tent, en
de knechten van Isaak groeven daar een put.
25. Isaque, pois, edificou ali um altar e invocou o
nome do Senhor; então armou ali a sua tenda, e os
seus servos cavaram um poço.
47