30. Toen zeide Esau tot Jakob: Laat mij toch
slokken van dat rode, dat rode daar, want ik ben
moe. Daarom gaf men hem de naam Edom.
30. e disse Esaú a Jacó: Deixa-me, peço-te, comer
desse guisado vermelho, porque estou muito
cansado. Por isso se chamou Edom.
31. Maar Jakob zeide: Verkoop mij dan eerst uw
eerstgeboorterecht.
31. Respondeu Jacó: Vende-me primeiro o teu
direito de primogenitura.
32. En Esau zeide: Zie, ik ga toch sterven;
waartoe dient mij dan het eerstgeboorterecht?
32. Então replicou Esaú: Eis que estou a ponto e
morrer; logo, para que me servirá o direito de
primogenitura?
33. Daarop zeide Jakob: Zweer mij eerst. En hij
zwoer hem. Zo verkocht hij aan Jakob zijn
eerstgeboorterecht.
33. Ao que disse Jacó: Jura-me primeiro. Jurou-
lhe, pois; e vendeu o seu direito de primogenitura
a Jacó.
34. Toen gaf Jakob aan Esau brood en het
linzengerecht; hij at en dronk, stond op en ging
heen. Zo verachtte Esau het eerstgeboorterecht.
34. Jacó deu a Esaú pão e o guisado e lentilhas; e
ele comeu e bebeu; e, levantando-se, seguiu seu
caminho. Assim desprezou Esaú o seu direito de
primogenitura.
Genesis 26
Gênesis 26
1. Eens kwam er een hongersnood in het land,
behalve de eerste hongersnood, die er geweest
was in de dagen van Abraham; en Isaak ging naar
Abimelek, de koning der Filistijnen, naar Gerar.
1. Sobreveio à terra uma fome, além da primeira,
que ocorreu nos dias de Abraão. Por isso foi
Isaque a Abimeleque, rei dos filisteus, em Gerar.
2. Toen verscheen hem de Here en zeide: Trek
niet naar Egypte, woon in het land, dat Ik u
zeggen zal,
2. E apareceu-lhe o Senhor e disse: Não desças ao
Egito; habita na terra que eu te disser;
3. vertoef in dit land als een vreemdeling, dan zal
Ik met u zijn en u zegenen, want u en uw
nageslacht zal Ik al die landen geven, en Ik zal de
eed gestand doen, die Ik uw vader Abraham
gezworen heb.
3. peregrina nesta terra, e serei contigo e te
abençoarei; porque a ti, e aos que descenderem de
ti, darei todas estas terras, e confirmarei o
juramento que fiz a Abraão teu pai;
4. En Ik zal uw nageslacht vermenigvuldigen als
de sterren des hemels, en Ik zal uw nageslacht al
die landen geven, en met uw nageslacht zullen
alle volken der aarde gezegend worden,
4. e multiplicarei a tua descendência como as
estrelas do céu, e lhe darei todas estas terras; e
por meio dela serão benditas todas as nações da
terra;
5. omdat Abraham naar Mij geluisterd en mijn
dienst in acht genomen heeft: mijn geboden, mijn
inzettingen en mijn wetten.
5. porquanto Abraão obedeceu à minha voz, e
guardou o meu mandado, os meus preceitos, os
meus estatutos e as minhas leis.
6. Dus bleef Isaak in Gerar.
6. Assim habitou Isaque em Gerar.
7. Toen de mannen van die plaats hem naar zijn
vrouw vroegen, zeide hij: Zij is mijn zuster, want
hij durfde niet zeggen: Zij is mijn vrouw, want hij
dacht: de mannen van die plaats mochten mij
anders eens doden om Rebekka, omdat zij schoon
van uiterlijk is.
7. Então os homens do lugar perguntaram-lhe
acerca de sua mulher, e ele respondeu: É minha
irmã; porque temia dizer: É minha mulher; para
que porventura, dizia ele, não me matassem os
homens daquele lugar por amor de Rebeca;
porque era ela formosa à vista.
8. Toen hij lange tijd daar geweest was, en
Abimelek, de koning der Filistijnen, eens door
het venster keek, zag hij, en zie, Isaak was aan
het minnekozen met zijn vrouw Rebekka.
8. Ora, depois que ele se demorara ali muito
tempo, Abimeleque, rei dos filisteus, olhou por
uma janela, e viu, e eis que Isaque estava
brincando com Rebeca, sua mulher.
9. Toen riep Abimelek Isaak en zeide: Zij is
zowaar uw vrouw; hoe hebt gij dan kunnen
zeggen: zij is mijn zuster? Daarop zeide Isaak tot
hem: Omdat ik dacht: ik mocht anders eens om
haar het leven verliezen.
9. Então chamou Abimeleque a Isaque, e disse:
Eis que na verdade é tua mulher; como pois
disseste: E minha irmã? Respondeu-lhe Isaque:
Porque eu dizia: Para que eu porventura não
morra por sua causa.
46