50. Indien gij mijn dochters vernederend
behandelt, en indien gij behalve mijn dochters
vrouwen neemt, zie toe, al is er niemand bij ons,
God is getuige tussen mij en u.
50. Se afligires as minhas filhas, e se tomares
outras mulheres além das minhas filhas, embora
ninguém esteja conosco, lembra-te de que Deus é
testemunha entre mim e ti.
51. Voorts zeide Laban tot Jakob: Zie, deze
steenhoop, en zie, de opgerichte steen die ik
geplaatst heb tussen mij en u,
51. Disse ainda Labão a Jacó: Eis aqui este
montão, e eis aqui a coluna que levantei entre
mim e ti.
52. deze steenhoop zij getuige, en de opgerichte
steen zij getuige: voorzeker, ik zal deze
steenhoop niet voorbijtrekken naar u toe, en gij
zult deze hoop en deze opgerichte steen niet
voorbijtrekken naar mij toe, met kwade
bedoeling.
52. Seja este montão testemunha, e seja esta
coluna testemunha de que, para mal, nem passarei
eu deste montão a ti, nem passarás tu deste
montão e desta coluna a mim.
53. De God van Abraham en de God van Nachor,
de God van hun vader, mogen richten tussen ons.
Toen zwoer Jakob bij de Vreze van zijn vader
Isaak.
53. O Deus de Abraão e o Deus de Naor, o Deus
do pai deles, julgue entre nós. E jurou Jacó pelo
Temor de seu pai Isaque.
54. En Jakob bracht een slachtoffer op die berg en
nodigde zijn verwanten tot een maaltijd. En zij
hielden de maaltijd en overnachtten op de berg.
54. Então Jacó ofereceu um sacrifício na
montanha, e convidou seus irmãos para comerem
pão; e, tendo comido, passaram a noite na
montanha.
55. De volgende morgen vroeg kuste Laban zijn
zonen en dochters en zegende hen, en Laban
keerde terug naar zijn woonplaats.
55. Levantou-se Labão de manhã cedo, beijou
seus filhos e suas filhas e os abençoou; e,
partindo, voltou para o seu lugar.
Genesis 32
Gênesis 32
1. Ook Jakob ging zijns weegs, en engelen Gods
ontmoetten hem.
1. Jacó também seguiu o seu caminho; e
encontraram-no os anjos de Deus.
2. Toen hij hen zag, zeide Jakob: Dit is een leger
Gods. Daarom noemde hij die plaats Machanaim.
2. Quando Jacó os viu, disse: Este é o exército de
Deus. E chamou àquele lugar Maanaim.
3. En Jakob zond boden voor zich uit tot zijn
broeder Esau, naar het land Seir het gebied van
Edom.
3. Então enviou Jacó mensageiros diante de si a
Esaú, seu irmão, à terra de Seir, o território de
Edom,
4. En hij gebood hun: Zo zult gij tot mijn heer, tot
Esau, zeggen: Zo zegt uw knecht Jakob: ik heb
als vreemdeling bij Laban vertoefd en ben daar
tot nu toe gebleven.
4. tendo-lhes ordenado: Deste modo falareis a
meu senhor Esaú: Assim diz Jacó, teu servo:
Como peregrino morei com Labão, e com ele
fiquei até agora;
5. En ik heb runderen, ezels en kleinvee, slaven
en slavinnen verworven, en ik laat dit mijn heer
meedelen om uw genegenheid te winnen.
5. e tenho bois e jumentos, rebanhos, servos e
servas; e mando comunicar isso a meu senhor,
para achar graça aos teus olhos.
6. De boden nu keerden tot Jakob terug en zeiden:
Wij kwamen bij uw broeder, bij Esau, en hij is
reeds op weg u tegemoet, met vierhonderd man
bij zich.
6. Depois os mensageiros voltaram a Jacó,
dizendo: Fomos ter com teu irmão Esaú; e, em
verdade, vem ele para encontrar-te, e
quatrocentos homens com ele.
7. Toen werd Jakob zeer bevreesd en het werd
hem bang te moede; en hij verdeelde het volk dat
bij hem was, en het kleinvee, de runderen en de
kamelen in twee groepen.
7. Jacó teve muito medo e ficou aflito; dividiu em
dois bandos o povo que estava com ele, bem
como os rebanhos, os bois e os camelos;
8. Want hij dacht: Indien Esau op de ene groep
afkomt en die verslaat, dan kan de groep die
overblijft, ontkomen.
8. pois dizia: Se Esaú vier a um bando e o ferir, o
outro bando escapará.
62