37. Nu gij al mijn huisraad doorzocht hebt, wat
hebt gij gevonden van al het huisraad van uw
huis? Leg het hier neer voor de ogen van mijn en
uw broeders, opdat zij scheidsrechters tussen ons
zijn.
37. Depois de teres apalpado todos os meus
móveis, que achaste de todos os móveis da tua
casar. Põe-no aqui diante de meus irmãos e de
teus irmãos, para que eles julguem entre nós
ambos.
38. Het is nu twintig jaar, dat ik bij u geweest
ben; uw ooien en uw geiten hebben geen
misdracht gehad en de rammen van uw kleinvee
heb ik niet gegeten.
38. Estes vinte anos estive eu contigo; as tuas
ovelhas e as tuas cabras nunca abortaram, e não
comi os carneiros do teu rebanho.
39. Wat verscheurd was, bracht ik niet tot u, ik
moest het zelf vergoeden; wat gestolen was,
hetzij bij dag, hetzij bij nacht, hebt gij van mijn
hand geeist.
39. Não te trouxe eu o despedaçado; eu sofri o
dano; da minha mão requerias tanto o furtado de
dia como o furtado de noite.
40. Zo ging het mij: des daags sloopte mij de hitte
en des nachts de koude, en de slaap week van
mijn ogen.
40. Assim andava eu; de dia me consumia o calor,
e de noite a geada; e o sono me fugia dos olhos.
41. Het is nu twintig jaar, dat ik in uw huis
geweest ben; ik heb u veertien jaar om uw beide
dochters gediend en zes jaar om uw vee, en gij
hebt mijn loon tienmaal veranderd.
41. Estive vinte anos em tua casa; catorze anos te
servi por tuas duas filhas, e seis anos por teu
rebanho; dez vezes mudaste o meu salário.
42. Indien de God van mijn vader, de God van
Abraham en de Vreze van Isaak, niet met mij was
geweest, dan zoudt gij mij nu voorzeker met lege
handen hebben weggezonden; mijn ellende en de
arbeid mijner handen heeft God aangezien en Hij
heeft gisterennacht het geding beslist.
42. Se o Deus de meu pai, o Deus de Abraão e o
Temor de Isaque não fora por mim, certamente
hoje me mandarias embora vazio. Mas Deus tem
visto a minha aflição e o trabalho das minhas
mãos, e repreendeu-te ontem à noite.
43. Toen antwoordde Laban en zeide tot Jakob:
Deze dochters zijn mijn dochters en deze
kinderen zijn mijn kinderen en dit vee is mijn
vee, ja, al wat gij ziet, dat is van mij; wat zou ik
dan nu mijn eigen dochters en de kinderen die zij
gebaard hebben, kunnen aandoen?
43. Respondeu-lhe Labão: Estas filhas são minhas
filhas, e estes filhos são meus filhos, e este
rebanho é meu rebanho, e tudo o que vês é meu; e
que farei hoje a estas minhas filhas, ou aos filhos
que elas tiveram?
44. Welnu, komaan, laten wij een verbond
sluiten, ik en gij, opdat het tot een getuige zij
tussen mij en u.
44. Agora pois vem, e façamos um pacto, eu e tu;
e sirva ele de testemunha entre mim e ti.
45. Daarop nam Jakob een steen en zette die
overeind als een opgerichte steen.
45. Então tomou Jacó uma pedra, e a erigiu como
coluna.
46. Voorts zeide Jakob tot zijn verwanten: Brengt
stenen bijeen. Toen haalden zij stenen en maakten
een hoop en zij hielden daar bij die hoop een
maaltijd.
46. E disse a seus irmãos: Ajuntai pedras.
Tomaram, pois, pedras e fizeram um montão, e
ali junto ao montão comeram.
47. Laban noemde hem Jegar-sahaduta, en Jakob
noemde hem Gal-ed.
47. Labão lhe chamou Jegar-Saaduta, e Jacó
chamou-lhe Galeede.
48. En Laban zeide: Deze steenhoop zij heden
getuige tussen mij en u. Daarom noemde hij hem
Gal-ed,
48. Disse, pois, Labão: Este montão é hoje
testemunha entre mim e ti. Por isso foi chamado
Galeede;
49. en ook Mispa, want hij zeide: De Here houde
wacht tussen mij en u, wanneer wij van elkander
gescheiden zullen zijn.
49. e também Mizpá, porquanto disse: Vigie o
Senhor entre mim e ti, quando estivermos
apartados um do outro.
61