24. En God kwam in een droom des nachts tot de
Arameeer Laban en zeide tot hem: Neem u wel in
acht, dat gij met Jakob niet ten goede of ten
kwade spreekt.
24. Mas Deus apareceu de noite em sonho a
Labão, o arameu, e disse-lhe: Guarda-te, que não
fales a Jacó nem bem nem mal.
25. Toen Laban Jakob bereikte, had Jakob zijn
tent opgeslagen in het gebergte; ook Laban met
zijn verwanten sloegen hun tent in het gebergte
van Gilead op.
25. Alcançou, pois, Labão a Jacó. Ora, Jacó tinha
armado a sua tenda na montanha; armou também
Labão com os seus irmãos a sua tenda na
montanha de Gileade.
26. En Laban zeide tot Jakob: Wat hebt gij
gedaan, dat gij mij misleid en mijn dochters als
krijgsgevangenen weggevoerd hebt?
26. Então disse Labão a Jacó: Que fizeste, que me
iludiste e levaste minhas filhas como cativas da
espada?
27. Waarom zijt gij heimelijk gevlucht en hebt gij
mij misleid en het mij niet medegedeeld? Ik zou u
dan uitgeleide hebben gedaan met vreugdebetoon
en liederen, met tamboerijn en citer.
27. Por que fizeste ocultamente, e me iludiste e
não mo fizeste saber, para que eu te enviasse com
alegria e com cânticos, ao som de tambores e de
harpas;
28. Gij hebt mij niet eens gelegenheid gegeven
mijn zonen en dochters te kussen; zodoende hebt
gij dwaas gehandeld.
28. Por que não me permitiste beijar meus filhos
e minhas filhas? Ora, assim procedeste
nesciamente.
29. Het is in mijn macht u kwaad te doen, maar
de God van uw vader heeft gisterennacht tot mij
gezegd: Neem u in acht, dat gij met Jakob niet ten
goede of ten kwade spreekt.
29. Está no poder da minha mão fazer-vos o mal,
mas o Deus de vosso pai falou-me ontem à noite,
dizendo: Guarda-te, que não fales a Jacó nem
bem nem mal.
30. Nu dan, als gij zijt heengegaan, enkel omdat
gij zo vurig naar uws vaders huis verlangt,
waarom hebt gij dan mijn goden gestolen?
30. Mas ainda que quiseste ir embora, porquanto
tinhas saudades da casa de teu pai, por que
furtaste os meus deuses?
31. Toen antwoordde Jakob en zeide tot Laban:
Ik was bevreesd, omdat ik dacht, dat gij mij uw
dochters zoudt ontrukken.
31. Respondeu-lhe Jacó: Porque tive medo; pois
dizia comigo que tu me arrebatarias as tuas filhas.
32. Bij wie gij uw goden vindt, die blijve niet in
leven; onderzoek in tegenwoordigheid van onze
verwanten al wat ik bij mij heb, en neem het mee.
Want Jakob wist niet, dat Rachel ze gestolen had.
32. Com quem achares os teus deuses, porém,
esse não viverá; diante de nossos irmãos descobre
o que é teu do que está comigo, e leva-o contigo.
Pois Jacó não sabia que Raquel os tinha furtado.
33. Toen kwam Laban in de tent van Jakob en in
de tent van Lea en in de tent der beide slavinnen,
maar hij vond ze niet. Nadat hij uit de tent van
Lea gegaan was, kwam hij in de tent van Rachel.
33. Entrou, pois, Labão na tenda de Jacó, na tenda
de Léia e na tenda das duas servas, e não os
achou; e, saindo da tenda de Léia, entrou na tenda
de Raquel.
34. Rachel nu had de terafim genomen en in het
kameelzadel gelegd, en was daarop gaan zitten.
En Laban doorzocht de gehele tent, maar vond ze
niet.
34. Ora, Raquel havia tomado os ídolos e os havia
metido na albarda do camelo, e se assentara em
cima deles. Labão apalpou toda a tenda, mas não
os achou.
35. En zij zeide tot haar vader: Mijn heer worde
niet toornig, omdat ik voor u niet kan opstaan,
want het gaat mij naar de wijze der vrouwen. En
hij zocht nauwkeurig, maar vond de terafim niet.
35. E ela disse a seu pai: Não se acenda a ira nos
olhos de meu senhor, por eu não me poder
levantar na tua presença, pois estou com o
incômodo das mulheres. Assim ele procurou, mas
não achou os ídolos.
36. Toen werd Jakob toornig en twistte met
Laban, en Jakob antwoordde en zeide tot Laban:
Wat is mijn overtreding, wat is mijn zonde, dat
gij mij zo heftig achtervolgd hebt?
36. Então irou-se Jacó e contendeu com Labão,
dizendo: Qual é a minha transgressão? qual é o
meu pecado, que tão furiosamente me tens
perseguido?
60