8. Wanneer hij zeide: de gespikkelde zullen uw
loon zijn, dan wierp al het kleinvee gespikkelde
jongen; en wanneer hij zeide: de gestreepte zullen
uw loon zijn, dan wierp al het kleinvee gestreepte
jongen.
8. Quando ele dizia assim: Os salpicados serão o
teu salário; então todo o rebanho dava salpicados.
E quando ele dizia assim: Os listrados serão o teu
salário, então todo o rebanho dava listrados.
9. Zo heeft God de kudde uws vaders
weggenomen en mij gegeven.
9. De modo que Deus tem tirado o gado de vosso
pai, e mo tem dado a mim.
10. Het gebeurde eens in de tijd, toen het kleinvee
bronstig was, dat ik mijn ogen opsloeg en ik zag
in de droom, en zie, de bokken die het kleinvee
besprongen, waren gestreept, gespikkeld en
gevlekt.
10. Pois sucedeu que, ao tempo em que o rebanho
concebia, levantei os olhos e num sonho vi que os
bodes que cobriam o rebanho eram listrados,
salpicados e malhados.
11. En de Engel Gods zeide tot mij in de droom:
Jakob. En ik zeide: Hier ben ik.
11. Disse-me o anjo de Deus no sonho: Jacó! Eu
respondi: Eis-me aqui.
12. En Hij zeide: Sla toch uw ogen op en zie toe:
al de bokken die het kleinvee bespringen, zijn
gestreept, gespikkeld en gevlekt, want Ik heb
gezien alles wat Laban u aandoet.
12. Prosseguiu o anjo: Levanta os teus olhos e vê
que todos os bodes que cobrem o rebanho são
listrados, salpicados e malhados; porque tenho
visto tudo o que Labão te vem fazendo.
13. Ik ben de God van Betel, waar gij een
opgerichte steen gezalfd hebt, waar gij Mij een
gelofte gedaan hebt; welnu, maak u reisvaardig,
ga uit dit land weg en keer naar het land uwer
maagschap terug.
13. Eu sou o Deus de Betel, onde ungiste uma
coluna, onde me fizeste um voto; levanta-te, pois,
sai-te desta terra e volta para a terra da tua
parentela.
14. Toen antwoordden Rachel en Lea en zeiden
tot hem: Hebben wij nog deel of erfenis in het
huis van onze vader?
14. Então lhe responderam Raquel e Léia: Temos
nós ainda parte ou herança na casa de nosso pai?
15. Zijn wij door hem niet als vreemden geacht,
omdat hij ons verkocht heeft? Ook heeft hij ons
geld geheel en al opgemaakt.
15. Não somos tidas por ele como estrangeiras?
pois nos vendeu, e consumiu todo o nosso preço.
16. Doch al de rijkdom, die God van onze vader
weggenomen heeft, die behoort ons en onze
kinderen; nu dan, doe al wat God u gezegd heeft.
16. Toda a riqueza que Deus tirou de nosso pai é
nossa e de nossos filhos; portanto, faze tudo o que
Deus te mandou.
17. Toen maakte Jakob zich reisvaardig, zette zijn
kinderen en zijn vrouwen op de kamelen,
17. Levantou-se, pois, Jacó e fez montar seus
filhos e suas mulheres sobre os camelos;
18. en dreef zijn gehele kudde voort en al de
have, die hij verworven had, de kudde, die zijn
eigendom was, die hij in Paddan-aram verworven
had, om te gaan naar zijn vader Isaak, naar het
land Kanaan.
18. e levou todo o seu gado, e toda a sua fazenda,
que havia adquirido, o gado que possuía, que
havia adquirido em Padã-Arã, a fim de ir ter com
Isaque, seu pai, à terra de Canaã.
19. Laban nu was heengegaan om zijn schapen te
scheren. Toen stal Rachel de terafim van haar
vader.
19. Ora, tendo Labão ido tosquiar as suas ovelhas,
Raquel furtou os ídolos que pertenciam a seu pai.
20. En Jakob misleidde de Arameeer Laban door
hem niet te vertellen, dat hij wilde vluchten.
20. Jacó iludiu a Labão, o arameu, não lhe
fazendo saber que fugia;
21. Zo vluchtte hij met alles wat hij had, begaf
zich op weg, trok over de Rivier en sloeg de
richting in naar het gebergte van Gilead.
21. e fugiu com tudo o que era seu; e, levantando-
se, passou o Rio, e foi em direção à montanha de
Gileade.
22. Toen aan Laban op de derde dag werd
bericht, dat Jakob gevlucht was,
22. Ao terceiro dia foi Labão avisado de que Jacó
havia fugido.
23. nam hij zijn verwanten met zich mee,
achtervolgde hem zeven dagreizen ver, en haalde
hem in op het gebergte van Gilead.
23. Então, tomando consigo seus irmãos, seguiu
atrás de Jacó jornada de sete dias; e alcançou-o na
montanha de Gileade.
59