37. Toen nam Jakob zich verse takken van
populieren, amandelbomen en platanen, en
schilde daarop witte strepen door het wit aan de
takken te ontbloten.
37. Então tomou Jacó varas verdes de estoraque,
de amendoeira e de plátano e, descascando nelas
riscas brancas, descobriu o branco que nelas
havia;
38. Hij legde de takken die hij geschild had, in de
troggen, in de drinkbakken, waar het kleinvee
kwam drinken, vlak voor het kleinvee; en zij
werden bronstig, als zij kwamen drinken.
38. e as varas que descascara pôs em frente dos
rebanhos, nos cochos, isto é, nos bebedouros,
onde os rebanhos bebiam; e conceberam quando
vinham beber.
39. Was het kleinvee bronstig geworden bij de
takken, dan wierp het gestreepte, gespikkelde en
gevlekte jongen.
39. Os rebanhos concebiam diante das varas, e as
ovelhas davam crias listradas, salpicadas e
malhadas.
40. Dan scheidde Jakob de schapen af, keerde de
koppen van het kleinvee naar het gestreepte en
naar al het zwarte onder Labans kleinvee, en zette
die kudden voor zich afzonderlijk, en plaatste ze
niet bij het kleinvee voor Laban.
40. Então separou Jacó os cordeiros, e fez os
rebanhos olhar para os listrados e para todos os
escuros no rebanho de Labão; e pôs seu rebanho à
parte, e não pôs com o rebanho de Labão.
41. En telkens, als het sterkste kleinvee bronstig
werd, legde Jakob de takken voor het kleinvee in
de troggen, opdat zij bij de takken bronstig
zouden worden.
41. e todas as vezes que concebiam as ovelhas
fortes, punha Jacó as varas nos bebedouros,
diante dos olhos do rebanho, para que
concebessem diante das varas;
42. Maar als het kleinvee zwak was, legde hij ze
er niet in; aldus waren de zwakke dieren voor
Laban en de sterke voor Jakob.
42. mas quando era fraco o rebanho, ele não as
punha. Assim as fracas eram de Labão, e as fortes
de Jacó.
43. Derhalve nam die man ten zeerste toe in bezit,
en hij had veel kleinvee, slavinnen, slaven,
kamelen en ezels.
43. E o homem se enriqueceu sobremaneira, e
teve grandes rebanhos, servas e servos, camelos e
jumentos.
Genesis 31
Gênesis 31
1. En hij hoorde de zonen van Laban zeggen:
Jakob heeft zich alles toegeeigend wat van onze
vader was, en uit hetgeen van onze vader was
heeft hij zich al deze rijkdom gevormd.
1. Jacó, entretanto, ouviu as palavras dos filhos de
Labão, que diziam: Jacó tem levado tudo o que
era de nosso pai, e do que era de nosso pai
adquiriu ele todas estas, riquezas.
2. Ook lette Jakob op het gezicht van Laban, en
zie, het was jegens hem niet als gisteren en
eergisteren.
2. Viu também Jacó o rosto de Labão, e eis que
não era para com ele como dantes.
3. Toen zeide de Here tot Jakob: Keer terug naar
het land uwer vaderen en naar uw maagschap, en
Ik zal met u zijn.
3. Disse o Senhor, então, a Jacó: Volta para a
terra de teus pais e para a tua parentela; e eu serei
contigo.
4. Daarop liet Jakob Rachel en Lea roepen naar
het veld, bij zijn kleinvee, en zeide tot haar:
4. Pelo que Jacó mandou chamar a Raquel e a
Léia ao campo, onde estava o seu rebanho,
5. Ik bemerk, dat het gezicht van uw vader jegens
mij niet is als gisteren en eergisteren, maar de
God mijns vaders is met mij geweest.
5. e lhes disse: vejo que o rosto de vosso pai para
comigo não é como anteriormente; porém o Deus
de meu pai tem estado comigo.
6. Ook weet gij zelf, dat ik met al mijn kracht uw
vader gediend heb.
6. Ora, vós mesmas sabeis que com todas as
minhas forças tenho servido a vosso pai.
7. Maar uw vader heeft mij bedrogen en mijn
loon tienmaal veranderd, doch God heeft hem
niet toegelaten mij te benadelen.
7. Mas vosso pai me tem enganado, e dez vezes
mudou o meu salário; Deus, porém, não lhe
permitiu que me fizesse mal.
58