Page 60 - fullnew

This is a SEO version of fullnew. Click here to view full version

« Previous Page Table of Contents Next Page »
23. en zij werd zwanger en baarde een zoon.
Toen zeide zij: God heeft mijn smaad
weggenomen;
23. De modo que ela concebeu e deu à luz um
filho, e disse: Tirou-me Deus o opróbrio.
24. en zij gaf hem de naam Jozef, zeggende:
Moge de Here mij er nog een andere zoon
bijvoegen.
24. E chamou-lhe José, dizendo: Acrescente-me o
Senhor ainda outro filho.
25. Nadat Rachel Jozef gebaard had, zeide Jakob
tot Laban: Laat mij vertrekken, opdat ik naar mijn
geboorteplaats en mijn land ga.
25. Depois que Raquel deu à luz a José, disse
Jacó a Labão: Despede-me a fim de que eu vá
para meu lugar e para minha terra.
26. Geef mij mijn vrouwen en kinderen, om wie
ik u gediend heb, opdat ik moge heengaan, want
gij weet welke diensten ik voor u verricht heb.
26. Dá-me as minhas mulheres, e os meus filhos,
pelas quais te tenho servido, e deixa-me ir; pois tu
sabes o serviço que te prestei.
27. Daarop zeide Laban tot hem: Mocht ik uw
genegenheid gewonnen hebben! Ik heb
waargenomen, dat de Here mij om uwentwil
gezegend heeft.
27. Labão lhe respondeu: Se tenho achado graça
aos teus olhos, fica comigo; pois tenho percebido
que o Senhor me abençoou por amor de ti.
28. En hij zeide: Bepaal, wat uw loon bij mij zal
zijn; en ik zal het geven.
28. E disse mais: Determina-me o teu salário, que
to darei.
29. Daarop zeide hij tot hem: Gij zelf weet, hoe ik
u gediend heb, en hoe het met uw kudde bij mij
gegaan is;
29. Ao que lhe respondeu Jacó: Tu sabes como te
hei servido, e como tem passado o teu gado
comigo.
30. want wat gij bezat, voordat ik kwam, was
weinig, maar het heeft zich uitgebreid in menigte,
en de Here heeft u gezegend, waarheen ik mijn
voet ook wendde; nu dan, wanneer zal ik ook
eens voor mijn eigen huis kunnen werken?
30. Porque o pouco que tinhas antes da minha
vinda tem se multiplicado abundantemente; e o
Senhor te tem abençoado por onde quer que eu
fui. Agora, pois, quando hei de trabalhar também
por minha casa?
31. Toen zeide hij: Wat zal ik u geven? Maar
Jakob zeide: Gij behoeft mij niets te geven; ik zal
wederom uw vee weiden en hoeden, indien gij
mij slechts dit wilt toestaan:
31. Insistiu Labão: Que te darei? Então respondeu
Jacó: Não me darás nada; tornarei a apascentar e
a guardar o teu rebanho se me fizeres isto:
32. Ik zal heden door al uw kleinvee gaan en
daaruit elk gespikkeld en gevlekt stuk kleinvee
afzonderen; elk zwart stuk onder de schapen, en
wat gevlekt en gespikkeld is onder de geiten, dat
zal mijn loon zijn.
32. Passarei hoje por todo o teu rebanho,
separando dele todos os salpicados e malhados, e
todos os escuros entre as ovelhas, e os malhados e
salpicados entre as cabras; e isto será o meu
salário.
33. En mijn eerlijkheid zal morgen voor mij
spreken, wanneer gij mijn loon zult komen
bezichtigen: alles wat niet gespikkeld of gevlekt
is onder de geiten of zwart onder de schapen, dat
zal als door mij gestolen gelden.
33. De modo que responderá por mim a minha
justiça no dia de amanhã, quando vieres ver o
meu salário assim exposto diante de ti: tudo o que
não for salpicado e malhado entre as cabras e
escuro entre as ovelhas, esse, se for achado
comigo, será tido por furtado.
34. Daarop zeide Laban: Zie, het geschiede naar
uw woord.
34. Concordou Labão, dizendo: Seja conforme a
tua palavra.
35. Toen zonderde hij op die dag de gestreepte en
gevlekte bokken af en alle gespikkelde en
gevlekte geiten, alles waaraan iets wits was,
benevens alles wat zwart was onder de schapen,
en hij stelde het onder de hoede van zijn zonen.
35. E separou naquele mesmo dia os bodes
listrados e malhados e todas as cabras salpicadas
e malhadas, tudo em que havia algum branco, e
todos os escuros entre os cordeiros e os deu nas
mãos de seus filhos;
36. En Laban bepaalde een afstand van drie
dagreizen tussen zich en Jakob, en Jakob weidde
het overige vee van Laban.
36. e pôs três dias de caminho entre si e Jacó; e
Jacó apascentava o restante dos rebanhos de
Labão.
57