Page 67 - fullnew

This is a SEO version of fullnew. Click here to view full version

« Previous Page Table of Contents Next Page »
24. Zo bleef Jakob alleen achter. En een man
worstelde met hem, totdat de dag aanbrak.
24. Jacó, porém, ficou só; e lutava com ele um
homem até o romper do dia.
25. Toen deze zag, dat hij hem niet overmocht,
sloeg hij hem op zijn heupgewricht, zodat Jakobs
heupgewricht ontwricht werd, terwijl hij met hem
worstelde.
25. Quando este viu que não prevalecia contra
ele, tocou-lhe a juntura da coxa, e se deslocou a
juntura da coxa de Jacó, enquanto lutava com ele.
26. Toen zeide hij: Laat mij gaan, want de
dageraad is gekomen. Maar hij zeide: Ik laat u
niet gaan, tenzij gij mij zegent.
26. Disse o homem: Deixa-me ir, porque já vem
rompendo o dia. Jacó, porém, respondeu: Não te
deixarei ir, se me não abençoares.
27. Daarop zeide hij tot hem: Hoe is uw naam?
En hij zeide: Jakob.
27. Perguntou-lhe, pois: Qual é o teu nome? E ele
respondeu: Jacó.
28. Toen zeide hij: Uw naam zal niet meer Jakob
luiden, maar Israël, want gij hebt gestreden met
God en mensen, en gij hebt overmocht.
28. Então disse: Não te chamarás mais Jacó, mas
Israel; porque tens lutado com Deus e com os
homens e tens prevalecido.
29. Daarop vroeg Jakob: Zeg mij toch uw naam.
Maar hij antwoordde: Waarom vraagt gij toch
naar mijn naam? En hij zegende hem daar.
29. Perguntou-lhe Jacó: Dize-me, peço-te, o teu
nome. Respondeu o homem: Por que perguntas
pelo meu nome? E ali o abençoou.
30. En Jakob noemde de plaats Pniel, want zeide
hij ik heb God gezien van aangezicht tot
aangezicht en mijn leven is behouden gebleven.
30. Pelo que Jacó chamou ao lugar Peniel,
dizendo: Porque tenho visto Deus face a face, e a
minha vida foi preservada.
31. En de zon ging over hem op, toen hij door
Penuel getrokken was; en hij ging mank aan zijn
heup.
31. E nascia o sol, quando ele passou de Peniel; e
coxeava de uma perna.
32. Daarom eten de Israëlieten tot op heden de
heupspier niet, die op het heupgewricht ligt,
omdat Hij Jakob op het heupgewricht, aan de
heupspier, geslagen had.
32. Por isso os filhos de Israel não comem até o
dia de hoje o nervo do quadril, que está sobre a
juntura da coxa, porquanto o homem tocou a
juntura da coxa de Jacó no nervo do quadril.
Genesis 33
Gênesis 33
1. Jakob nu sloeg zijn ogen op en daar zag hij
Esau aankomen, en met hem vierhonderd man.
Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea en
Rachel en de beide slavinnen.
1. Levantou Jacó os olhos, e olhou, e eis que
vinha Esaú, e quatrocentos homens com ele.
Então repartiu os filhos entre Léia, e Raquel, e as
duas servas.
2. Hij plaatste de slavinnen en haar kinderen
vooraan, Lea en haar kinderen daarachter, en
Rachel en Jozef achteraan.
2. Pôs as servas e seus filhos na frente, Léia e
seus filhos atrás destes, e Raquel e José por
últimos.
3. En zelf ging hij voor hen uit en boog zich
zevenmaal ter aarde, totdat hij bij zijn broeder
gekomen was.
3. Mas ele mesmo passou adiante deles, e
inclinou-se em terra sete vezes, até chegar perto
de seu irmão.
4. Maar Esau snelde hem tegemoet, omarmde
hem, viel hem om de hals en kuste hem, en zij
weenden.
4. Então Esaú correu-lhe ao encontro, abraçou-o,
lançou-se-lhe ao pescoço, e o beijou; e eles
choraram.
5. Daarna sloeg hij zijn ogen op, zag de vrouwen
en de kinderen, en vroeg: Wie hebt gij daar bij u?
En hij antwoordde: De kinderen, die God in zijn
genade aan uw knecht geschonken heeft.
5. E levantando Esaú os olhos, viu as mulheres e
os meninos, e perguntou: Quem são estes
contigo? Respondeu-lhe Jacó: Os filhos que Deus
bondosamente tem dado a teu servo.
6. Daarop naderden de slavinnen met haar
kinderen en bogen zich neer.
6. Então chegaram-se as servas, elas e seus filhos,
e inclinaram-se.
7. Vervolgens naderde ook Lea met haar kinderen
en zij bogen zich neer. En ten laatste naderden
Jozef en Rachel en zij bogen zich neer.
7. Chegaram-se também Léia e seus filhos, e
inclinaram-se; depois chegaram-se José e Raquel
e se inclinaram.
64