3. En zij zingen het lied van Mozes, de knecht
Gods, en het lied van het Lam, zeggende: Groot
en wonderbaar zijn uw werken, Here God,
Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn uw
wegen, Gij, Koning der volkeren!
3. E cantavam o cântico de Moisés, servo de
Deus, e o cântico do Cordeiro, dizendo: Grandes
e admiráveis são as tuas obras, ó Senhor Deus
Todo-Poderoso; justos e verdadeiros são os teus
caminhos, ó Rei dos séculos.
4. Wie zou niet vrezen, Here, en uw naam niet
verheerlijken? Immers, Gij alleen zijt heilig.
Want alle volken zullen komen en zullen voor U
nedervallen in aanbidding, omdat uw gerichten
openbaar zijn geworden.
4. Quem não te temerá, Senhor, e não glorificará
o teu nome? Pois só tu és santo; por isso todas as
nações virão e se prostrarão diante de ti, porque
os teus juízos são manifestos.
5. En daarna zag ik, en de tempel van de tent der
getuigenis in de hemel ging open;
5. Depois disto olhei, e abriu-se o santuário do
tabernáculo do testemunho no céu;
6. en de zeven engelen, die de zeven plagen
hadden, kwamen uit de tempel, bekleed met rein
en blinkend linnen en de borst omgord met een
gouden gordel.
6. e saíram do santuário os sete anjos que tinham
as sete pragas, vestidos de linho puro e
resplandecente, e cingidos, à altura do peito com
cintos de ouro.
7. En een van de vier dieren gaf aan de zeven
engelen zeven gouden schalen, vol van de
gramschap van God, die leeft tot in alle
eeuwigheden.
7. Um dos quatro seres viventes deu aos sete
anjos sete taças de ouro, cheias da ira do Deus
que vive pelos séculos dos séculos.
8. En de tempel werd vervuld met rook vanwege
de heerlijkheid Gods en vanwege zijn kracht; en
niemand kon de tempel binnengaan, voordat de
zeven plagen der zeven engelen voleindigd
waren.
8. E o santuário se encheu de fumaça pela glória
de Deus e pelo seu poder; e ninguém podia entrar
no santuário, enquanto não se consumassem as
sete pragas dos sete anjos.
Openbaring 16
Apocalipse 16
1. En ik hoorde een luide stem uit de tempel
zeggen tot de zeven engelen: Gaat heen en giet de
zeven schalen van de gramschap Gods uit op de
aarde.
1. E ouvi, vinda do santuário, uma grande voz,
que dizia aos sete anjos: Ide e derramai sobre a
terra as sete taças, da ira de Deus.
2. En de eerste ging heen en goot zijn schaal uit
op de aarde, en er kwam een boos en
kwaadaardig gezwel aan de mensen, die het
merkteken van het beest hadden en die zijn beeld
aanbaden.
2. Então foi o primeiro e derramou a sua taça
sobre a terra; e apareceu uma chaga ruim e
maligna nos homens que tinham o sinal da besta e
que adoravam a sua imagem.
3. En de tweede goot zijn schaal uit in de zee, en
zij werd bloed als van een dode, en alle levende
wezens, die in de zee waren, stierven.
3. O segundo anjo derramou a sua taça no mar,
que se tornou em sangue como de um morto, e
morreu todo ser vivente que estava no mar.
4. En de derde goot zijn schaal uit in de rivieren
en in de waterbronnen, en het water werd bloed.
4. O terceiro anjo derramou a sua taça nos rios e
nas fontes das águas, e se tornaram em sangue.
5. En ik hoorde de engel der wateren zeggen:
Rechtvaardig zijt Gij, die zijt en die waart, Gij
Heilige, dat Gij dit oordeel hebt geveld.
5. E ouvi o anjo das águas dizer: Justo és tu, que
és e que eras, o Santo; porque julgaste estas
coisas;
6. Omdat zij het bloed der heiligen en der
profeten vergoten hebben, hebt Gij hun ook bloed
te drinken gegeven; zij hebben het verdiend!
6. porque derramaram o sangue de santos e de
profetas, e tu lhes tens dado sangue a beber; eles
o merecem.
7. En ik hoorde het altaar zeggen: Ja, Here God,
Almachtige, uw oordelen zijn waarachtig en
rechtvaardig.
7. E ouvi uma voz do altar, que dizia: Na verdade,
ó Senhor Deus Todo-Poderoso, verdadeiros e
justos são os teus juízos.
2149