28. En Haran stierf bij het leven van zijn vader
Terach in zijn geboorteland, in Ur der Chaldeeen.
28. Harã morreu antes de seu pai Tera, na terra do
seu nascimento, em Ur dos Caldeus.
29. En Abram en Nachor namen zich vrouwen;
de naam van Abrams vrouw was Sarai, en de
naam van Nachors vrouw was Milka, de dochter
van Haran, de vader van Milka en Jiska.
29. Abrão e Naor tomaram mulheres para si: o
nome da mulher de Abrão era Sarai, e o nome da
mulher do Naor era Milca, filha de Harã, que foi
pai de Milca e de Iscá.
30. Sarai nu was onvruchtbaar; zij had geen
kinderen.
30. Sarai era estéril; não tinha filhos.
31. En Terach nam zijn zoon Abram en Lot, de
zoon van Haran, zijn kleinzoon, en Sarai, zijn
schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram;
en hij deed hen wegtrekken uit Ur der Chaldeeen
om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen
te Haran en bleven daar.
31. Tomou Tera a Abrão seu filho, e a Ló filho de
Harã, filho de seu filho, e a Sarai sua nora,
mulher de seu filho Abrão, e saiu com eles de Ur
dos Caldeus, a fim de ir para a terra de Canaã; e
vieram até Harã, e ali habitaram.
32. En de dagen van Terach waren tweehonderd
vijf jaar, en Terach stierf te Haran.
32. Foram os dias de Tera duzentos e cinco anos;
e morreu Tera em Harã.
Genesis 12
Gênesis 12
1. De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en
uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het
land, dat Ik u wijzen zal;
1. Ora, o Senhor disse a Abrão: Sai-te da tua
terra, da tua parentela, e da casa de teu pai, para a
terra que eu te mostrarei.
2. Ik zal u tot een groot volk maken, en u
zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot
een zegen zijn.
2. Eu farei de ti uma grande nação; abençoar-te-
ei, e engrandecerei o teu nome; e tu, sê uma
bênção.
3. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u
vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle
geslachten des aardbodems gezegend worden.
3. Abençoarei aos que te abençoarem, e
amaldiçoarei àquele que te amaldiçoar; e em ti
serão benditas todas as famílias da terra.
4. Toen ging Abram, zoals de Here tot hem
gesproken had, en Lot ging met hem; en Abram
was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran
trok.
4. Partiu, pois Abrão, como o Senhor lhe
ordenara, e Ló foi com ele. Tinha Abrão setenta e
cinco anos quando saiu de Harã.
5. Abram nu nam zijn vrouw Sarai en Lot, zijns
broeders zoon, en al hun have, die zij verworven
hadden, en de lieden, die zij in Haran verkregen
hadden, en zij trokken uit om te gaan naar het
land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan.
5. Abrão levou consigo a Sarai, sua mulher, e a
Ló, filho de seu irmão, e todos os bens que
haviam adquirido, e as almas que lhes acresceram
em Harã; e saíram a fim de irem à terra de Canaã;
e à terra de Canaã chegaram.
6. En Abram trok het land door tot de plek bij
Sichem, tot de terebint More; en de Kanaanieten
waren toen in het land.
6. Passou Abrão pela terra até o lugar de Siquém,
até o carvalho de Moré. Nesse tempo estavam os
cananeus na terra.
7. Toen verscheen de Here aan Abram en zeide:
Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij
bouwde daar een altaar voor de Here, die hem
verschenen was.
7. Apareceu, porém, o Senhor a Abrão, e disse: a
tua semente darei esta terra. Abrão, pois, edificou
ali um altar ao Senhor, que lhe aparecera.
8. Toen brak hij vandaar op naar het gebergte ten
oosten van Betel, en hij spande zijn tent, met
Betel tegen het westen en Ai tegen het oosten, en
hij bouwde daar een altaar voor de Here en riep
de naam des Heren aan.
8. Então passou dali para o monte ao oriente de
Betel, e armou a sua tenda, ficando-lhe Betel ao
ocidente, e Ai ao oriente; também ali edificou um
altar ao Senhor, e invocou o nome do Senhor.
9. Daarna trok Abram steeds verder, naar het
Zuiderland.
9. Depois continuou Abrão o seu caminho,
seguindo ainda para o sul.
19