10. Toen er hongersnood in het land uitbrak, trok
Abram naar Egypte, om daar als vreemdeling te
vertoeven, want de hongersnood was zwaar in het
land.
10. Ora, havia fome naquela terra; Abrão, pois,
desceu ao Egito, para peregrinar ali, porquanto
era grande a fome na terra.
11. Toen hij op het punt stond Egypte binnen te
trekken, zeide hij tot zijn vrouw Sarai: Zie toch,
ik weet, dat gij een vrouw zijt schoon van
uiterlijk.
11. Quando ele estava prestes a entrar no Egito,
disse a Sarai, sua mulher: Ora, bem sei que és
mulher formosa à vista;
12. Wanneer de Egyptenaren u zien, zullen zij
zeggen: Dit is zijn vrouw; en zij zullen mij doden,
en u in het leven laten.
12. e acontecerá que, quando os egípcios te
virem, dirão: Esta é mulher dele. E me matarão a
mim, mas a ti te guardarão em vida.
13. Zeg toch, dat gij mijn zuster zijt, opdat het
mij om uwentwil welga, en ik om uwentwil in het
leven moge blijven.
13. Dize, peço-te, que és minha irmã, para que me
vá bem por tua causa, e que viva a minha alma
em atenção a ti.
14. Zodra Abram Egypte binnentrok, zagen de
Egyptenaren, dat de vrouw zeer schoon was;
14. E aconteceu que, entrando Abrão no Egito,
viram os egípcios que a mulher era mui formosa.
15. en toen de vorsten van Farao haar zagen,
roemden zij haar bij Farao, zodat de vrouw naar
het huis van Farao gehaald werd.
15. Até os príncipes de Faraó a viram e gabaram-
na diante dele; e foi levada a mulher para a casa
de Faraó.
16. En hij deed Abram wel om harentwil, zodat
hij schapen, runderen, ezels, slaven, slavinnen,
ezelinnen en kamelen ontving.
16. E ele tratou bem a Abrão por causa dela; e
este veio a ter ovelhas, bois e jumentos, servos e
servas, jumentas e camelos.
17. Maar de Here sloeg Farao met zware plagen,
evenals zijn huis, ter oorzake van Sarai, de vrouw
van Abram.
17. Feriu, porém, o Senhor a Faraó e a sua casa
com grandes pragas, por causa de Sarai, mulher
de Abrão.
18. Toen riep Farao Abram en zeide: Wat hebt gij
mij daar aangedaan? Waarom hebt gij mij niet
meegedeeld, dat zij uw vrouw is?
18. Então chamou Faraó a Abrão, e disse: Que é
isto que me fizeste? por que não me disseste que
ela era tua mulher?
19. Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster,
zodat ik haar mij tot vrouw genomen heb? En nu,
ziehier uw vrouw, neem haar en ga heen.
19. Por que disseste: É minha irmã? d e maneira
que a tomei para ser minha mulher. Agora, pois,
eis aqui tua mulher; toma-a e vai-te.
20. En Farao gaf enige mannen omtrent hem
opdracht, en zij deden hem, zijn vrouw en al wat
hij bezat, uitgeleide.
20. E Faraó deu ordens aos seus guardas a
respeito dele, os quais o despediram a ele, e a sua
mulher, e a tudo o que tinha.
Genesis 13
Gênesis 13
1. En Abram trok uit Egypte naar het Zuiderland,
hij en zijn vrouw en al wat hij bezat, en Lot met
hem.
1. Subiu, pois, Abrão do Egito para o Negebe,
levando sua mulher e tudo o que tinha, e Ló o
acompanhava.
2. Abram nu was zeer rijk aan vee, aan zilver en
aan goud.
2. Abrão era muito rico em gado, em prata e em
ouro.
3. En hij ging van de ene pleisterplaats naar de
andere, uit het Zuiderland tot bij Betel, de plaats,
waar zijn tent in het eerst gestaan had, tussen
Betel en Ai,
3. Nas suas jornadas subiu do Negebe para Betel,
até o lugar onde outrora estivera a sua tenda,
entre Betel e Ai,
4. naar de plaats van het altaar, dat hij daar
vroeger gemaakt had, en Abram riep daar de
naam des Heren aan.
4. até o lugar do altar, que dantes ali fizera; e ali
invocou Abrão o nome do Senhor.
5. En ook Lot, die met Abram mede ging, had
schapen en runderen en tenten.
5. E também Ló, que ia com Abrão, tinha
rebanhos, gado e tendas.
20