2. dat dezen oorlog voerden tegen Bera, de
koning van Sodom, Birsa, de koning van
Gomorra, Sinab, de koning van Adma, Semeber,
de koning van Seboim, en de koning van Bela,
dat is Soar.
2. que estes fizeram guerra a Bera, rei de
Sodoma, a Birsa, rei de Gomorra, a Sinabe, rei de
Admá, a Semeber, rei de Zeboim, e ao rei de Belá
(esta é Zoar).
3. Deze allen kwamen in bondgenootschap naar
het dal Siddim, dat is de Zoutzee.
3. Todos estes se ajuntaram no vale de Sidim (que
é o Mar Salgado).
4. Twaalf jaar hadden zij Kedorlaomer gediend
en in het dertiende jaar waren zij in opstand
gekomen;
4. Doze anos haviam servido a Quedorlaomer,
mas ao décimo terceiro ano rebelaram-se.
5. en in het veertiende jaar kwam Kedorlaomer
met de koningen die bij hem waren, en zij
sloegen de Refaieten te Asterot-karnaim, de
Zuzieten te Ham, de Emieten te Sawe-kirjataim
5. Por isso, ao décimo quarto ano veio
Quedorlaomer, e os reis que estavam com ele, e
feriram aos refains em Asterote-Carnaim, aos
zuzins em Hão, aos emins em Savé-Quiriataim,
6. en de Chorieten op hun gebergte Seir tot El-
paran, dat aan de rand der woestijn ligt.
6. e aos horeus no seu monte Seir, até El-Parã,
que está junto ao deserto.
7. Daarna keerden zij terug en kwamen te En-
mispat, dat is Kades, en sloegen het gehele gebied
van de Amalekieten, en ook de Amorieten, die te
Chaseson-tamar woonden.
7. Depois voltaram e vieram a En-Mispate (que é
Cades), e feriram toda a terra dos amalequitas, e
também dos amorreus, que habitavam em
Hazazom-Tamar.
8. Toen rukten de koning van Sodom, de koning
van Gomorra, de koning van Adma, de koning
van Seboim en de koning van Bela, dat is Soar,
uit en zij stelden zich tegen hen in slagorde in het
dal Siddim,
8. Então saíram os reis de Sodoma, de Gomorra,
de Admá, de Zeboim e de Belá (esta é Zoar), e
ordenaram batalha contra eles no vale de Sidim,
9. tegen Kedorlaomer, de koning van Elam,
Tidal, de koning der volken, Amrafel de koning
van Sinear, en Arjok, de koning van Ellasar, vier
koningen tegen vijf.
9. contra Quedorlaomer, rei de Elão, Tidal, rei de
Goiim, Anrafel, rei de Sinar, e Arioque, rei de
Elasar; quatro reis contra cinco.
10. Het dal Siddim nu was vol asfaltputten. Toen
de koning van Sodom en die van Gomorra
vluchtten, vielen zij daarin, en de overgeblevenen
vluchtten naar het gebergte.
10. Ora, o vale de Sidim estava cheio de poços de
betume; e fugiram os reis de Sodoma e de
Gomorra, e caíram ali; e os restantes fugiram para
o monte.
11. En zij namen al de have van Sodom en
Gomorra en al hun voedsel en trokken af.
11. Tomaram, então, todos os bens de Sodoma e
de Gomorra com todo o seu mantimento, e se
foram.
12. Ook namen zij Lot mede, de zoon van
Abrams broeder, en zijn have, en trokken af; hij
nu woonde te Sodom.
12. Tomaram também a Ló, filho do irmão de
Abrão, que habitava em Sodoma, e os bens dele,
e partiram.
13. Toen kwam een vluchteling en deelde dit
mede aan de Hebreeer Abram; hij nu woonde bij
de terebinten van de Amoriet Mamre, de broeder
van Eskol en Aner, die Abrams bondgenoten
waren.
13. Então veio um que escapara, e o contou a
Abrão, o hebreu. Ora, este habitava junto dos
carvalhos de Manre, o amorreu, irmão de Escol e
de Aner; estes eram aliados de Abrão.
14. Toen Abram hoorde, dat zijn broeder als
gevangene was weggevoerd, bracht hij zijn
geoefenden, degenen die in zijn huis geboren
waren, in de strijd, driehonderd achttien man, en
achtervolgde hen tot Dan toe.
14. Ouvindo, pois, Abrão que seu irmão estava
preso, levou os seus homens treinados, nascidos
em sua casa, em número de trezentos e dezoito, e
perseguiu os reis até Dã.
22