15. En zij verdeelden zich des nachts tegen hen in
troepen, hij en zijn slaven, en versloegen hen en
achtervolgden hen tot Choba toe, dat ten noorden
van Damascus ligt.
15. Dividiu-se contra eles de noite, ele e os seus
servos, e os feriu, perseguindo-os até Hobá, que
fica à esquerda de Damasco.
16. En hij bracht al de have terug, en ook zijn
broeder Lot en diens have bracht hij terug,
evenals de vrouwen en het volk.
16. Assim tornou a trazer todos os bens, e tornou
a trazer também a Ló, seu irmão, e os bens dele, e
também as mulheres e o povo.
17. Toen ging de koning van Sodom uit, hem
tegemoet, nadat hij teruggekeerd was van het
verslaan van Kedorlaomer en de koningen die
met hem waren, naar het dal Sawe, dat is het
Koningsdal.
17. Depois que Abrão voltou de ferir a
Quedorlaomer e aos reis que estavam com ele,
saiu-lhe ao encontro o rei de Sodoma, no vale de
Savé (que é o vale do rei).
18. En Melchisedek, de koning van Salem, bracht
brood en wijn; hij nu was een priester van God,
de Allerhoogste.
18. Ora, Melquisedeque, rei de Salém, trouxe pão
e vinho; pois era sacerdote do Deus Altíssimo;
19. En hij zegende hem en zeide: Gezegend zij
Abram door God, de Allerhoogste, de Schepper
van hemel en aarde,
19. e abençoou a Abrão, dizendo: bendito seja
Abrão pelo Deus Altíssimo, o Criador dos céus e
da terra!
20. en geprezen zij God, de Allerhoogste, die uw
vijanden in uw macht heeft overgeleverd. En hij
gaf hem van alles de tienden.
20. E bendito seja o Deus Altíssimo, que entregou
os teus inimigos nas tuas mãos! E Abrão deu-lhe
o dízimo de tudo.
21. De koning van Sodom nu zeide tot Abram:
Geef mij de mensen, en behoud de have voor u.
21. Então o rei de Sodoma disse a Abrão: Dá-me
a mim as pessoas; e os bens toma-os para ti.
22. Doch Abram zeide tot de koning van Sodom:
Ik zweer bij de Here, bij God, de Allerhoogste, de
Schepper van hemel en aarde:
22. Abrão, porém, respondeu ao rei de Sodoma:
Levanto minha mão ao Senhor, o Deus Altíssimo,
o Criador dos céus e da terra,
23. Zelfs geen draad of schoenriem, ja niets van
het uwe zal ik nemen, opdat gij niet kunt zeggen:
Ik heb Abram rijk gemaakt!
23. jurando que não tomarei coisa alguma de tudo
o que é teu, nem um fio, nem uma correia de
sapato, para que não digas: Eu enriqueci a Abrão;
24. Geenszins, alleen wat de knechten hebben
verteerd en het aandeel der mannen die met mij
gegaan zijn, Aner, Eskol en Mamre, laten die hun
aandeel ontvangen.
24. salvo tão somente o que os mancebos
comeram, e a parte que toca aos homens Aner,
Escol e Manre, que foram comigo; que estes
tomem a sua parte.
Genesis 15
Gênesis 15
1. Hierna kwam het woord des Heren tot Abram
in een gezicht: Vrees niet, Abram Ik ben uw
schild; uw loon zal zeer groot zijn.
1. Depois destas coisas veio a palavra do Senhor
a Abrão numa visão, dizendo: Não temas, Abrão;
eu sou o teu escudo, o teu galardão será
grandíssimo.
2. En Abram zeide: Here Here, wat zult Gij mij
geven, daar ik kinderloos heenga en de bezitter
van mijn huis, dat zal deze Damascener Eliezer
zijn.
2. Então disse Abrão: Ó Senhor Deus, que me
darás, visto que morro sem filhos, e o herdeiro de
minha casa é o damasceno Eliézer?
3. En Abram zeide: Zie, mij hebt Gij geen
nakroost gegeven, en nu moet een onderhorige
mijn erfgenaam zijn.
3. Disse mais Abrão: A mim não me tens dado
filhos; eis que um nascido na minha casa será o
meu herdeiro.
4. En zie, het woord des Heren kwam tot hem:
Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar uw
lijfelijke zoon, die zal uw erfgenaam zijn.
4. Ao que lhe veio a palavra do Senhor, dizendo:
Este não será o teu herdeiro; mas aquele que sair
das tuas entranhas, esse será o teu herdeiro.
23