Page 27 - fullnew

This is a SEO version of fullnew. Click here to view full version

« Previous Page Table of Contents Next Page »
5. Toen leidde Hij hem naar buiten, en zeide: Zie
toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij
ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw
nageslacht zijn.
5. Então o levou para fora, e disse: Olha agora
para o céu, e conta as estrelas, se as podes contar;
e acrescentou-lhe: Assim será a tua descendência.
6. En hij geloofde in de Here, en Hij rekende het
hem toe als gerechtigheid.
6. E creu Abrão no Senhor, e o Senhor imputou-
lhe isto como justiça.
7. En Hij zeide tot hem: Ik ben de Here, die u uit
Ur der Chaldeeen heb geleid om u dit land in
bezit te geven.
7. Disse-lhe mais: Eu sou o Senhor, que te tirei de
Ur dos caldeus, para te dar esta terra em herança.
8. En hij zeide: Here Here, waaraan zal ik weten,
dat ik het bezitten zal?
8. Ao que lhe perguntou Abrão: Ó Senhor Deus,
como saberei que hei de herdá-la?
9. En Hij zeide tot hem: Haal mij een driejarige
jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram,
een tortelduif en een jonge duif.
9. Respondeu-lhe: Toma-me uma novilha de três
anos, uma cabra de três anos, um carneiro de três
anos, uma rola e um pombinho.
10. Hij haalde die alle voor Hem, deelde ze
middendoor en legde de stukken tegenover
elkander, maar het gevogelte deelde hij niet.
10. Ele, pois, lhe trouxe todos estes animais,
partiu-os pelo meio, e pôs cada parte deles em
frente da outra; mas as aves não partiu.
11. Toen de roofvogels op de dode dieren
neerstreken, joeg Abram ze weg.
11. E as aves de rapina desciam sobre os
cadáveres; Abrão, porém, as enxotava.
12. Toen de zon op het punt stond onder te gaan,
viel een diepe slaap op Abram. En zie, hem
overviel een angstwekkende, dikke duisternis.
12. Ora, ao pôr do sol, caiu um profundo sono
sobre Abrão; e eis que lhe sobrevieram grande
pavor e densas trevas.
13. En Hij zeide tot Abram: Weet voorzeker, dat
uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in
een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen
dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken,
vierhonderd jaar.
13. Então disse o Senhor a Abrão: Sabe com
certeza que a tua descendência será peregrina em
terra alheia, e será reduzida à escravidão, e será
afligida por quatrocentos anos;
14. Doch ook het volk, dat zij zullen dienen, zal
Ik richten, en daarna zullen zij met grote have
uittrekken.
14. sabe também que eu julgarei a nação a qual
ela tem de servir; e depois sairá com muitos bens.
15. Maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan;
gij zult in hoge ouderdom begraven worden.
15. Tu, porém, irás em paz para teus pais; em boa
velhice serás sepultado.
16. Het vierde geslacht echter zal hierheen
wederkeren, want eerder is de maat van de
ongerechtigheid der Amorieten niet vol.
16. Na quarta geração, porém, voltarão para cá;
porque a medida da iniqüidade dos amorreus não
está ainda cheia.
17. Toen de zon was ondergegaan, en er dikke
duisternis was, zie, een rokende oven met een
vurige fakkel, welke tussen die stukken doorging.
17. Quando o sol já estava posto, e era escuro, eis
um fogo fumegante e uma tocha de fogo, que
passaram por entre aquelas metades.
18. Te dien dage sloot de Here een verbond met
Abram, zeggende: Aan uw nageslacht zal Ik dit
land geven, van de rivier van Egypte tot de grote
rivier, de rivier de Eufraat:
18. Naquele mesmo dia fez o Senhor um pacto
com Abrão, dizendo: A tua descendência tenho
dado esta terra, desde o rio do Egito até o grande
rio Eufrates;
19. De Keniet, de Kenizziet, de Kadmoniet,
19. e o queneu, o quenizeu, o cadmoneu,
20. de Hethiet, de Perizziet, de Refaieten,
20. o heteu, o perizeu, os refains,
21. de Amoriet, de Kanaaniet, de Girgasiet en de
Jebusiet.
21. o amorreu, o cananeu, o girgaseu e o jebuseu.
Genesis 16
Gênesis 16
1. Sarai nu, de vrouw van Abram, schonk hem
geen kinderen, en zij had een Egyptische slavin,
wier naam was Hagar.
1. Ora, Sarai, mulher de Abrão, não lhe dava
filhos. Tinha ela uma serva egípcia, que se
chamava Agar.
24