33. Toen ging de Here weg, nadat Hij geeindigd
had tot Abraham te spreken, en Abraham keerde
naar zijn woonplaats terug.
33. E foi-se o Senhor, logo que acabou de falar
com Abraão; e Abraão voltou para o seu lugar.
Genesis 19
Gênesis 19
1. En de twee engelen kwamen in de avond te
Sodom. Lot zat in de poort van Sodom en toen
Lot hen zag, stond hij op, ging hun tegemoet,
boog zich neder met het aangezicht ter aarde,
1. À tarde chegaram os dois anjos a Sodoma. Ló
estava sentado à porta de Sodoma e, vendo-os,
levantou-se para os receber; prostrou-se com o
rosto em terra,
2. en zeide: Zie toch, mijne heren, neemt toch uw
intrek in het huis van uw knecht, overnacht en
wast uw voeten, dan kunt gij morgenvroeg uws
weegs gaan. Maar zij zeiden: Neen, wij zullen de
nacht op het plein doorbrengen.
2. e disse: Eis agora, meus senhores, entrai, peço-
vos em casa de vosso servo, e passai nela a noite,
e lavai os pés; de madrugada vos levantareis e
ireis vosso caminho. Responderam eles: Não;
antes na praça passaremos a noite.
3. Toen hij echter sterk bij hen aandrong, namen
zij bij hem hun intrek en kwamen in zijn huis; en
hij bereidde voor hen een maaltijd en bakte
ongezuurde koeken, en zij aten.
3. Entretanto, Ló insistiu muito com eles, pelo
que foram com ele e entraram em sua casa; e ele
lhes deu um banquete, assando-lhes pães ázimos,
e eles comeram.
4. Zij hadden zich nog niet ter ruste gelegd, of de
mannen der stad, de mannen van Sodom,
omsingelden het huis, van jong tot oud, de gehele
bevolking, niemand uitgezonderd,
4. Mas antes que se deitassem, cercaram a casa os
homens da cidade, isto é, os homens de Sodoma,
tanto os moços como os velhos, sim, todo o povo
de todos os lados;
5. en zij riepen Lot toe en zeiden tot hem: Waar
zijn de mannen, die vannacht bij u gekomen zijn?
Breng hen bij ons buiten, opdat wij met hen
gemeenschap hebben.
5. e, chamando a Ló, perguntaram-lhe: Onde
estão os homens que entraram esta noite em tua
casa? Traze-os cá fora a nós, para que os
conheçamos.
6. Toen ging Lot tot hen naar buiten, maar de
deur sloot hij achter zich toe,
6. Então Ló saiu-lhes à porta, fechando-a atrás de
si,
7. en hij zeide: Mijn broeders, doet toch geen
kwaad;
7. e disse: Meus irmãos, rogo-vos que não
procedais tão perversamente;
8. zie toch, ik heb twee dochters, die met geen
man gemeenschap hebben gehad; laat mij die tot
u naar buiten brengen en doet met haar, zoals
goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen
niets, want daartoe zijn zij onder de schaduw van
mijn dak gekomen.
8. eis aqui, tenho duas filhas que ainda não
conheceram varão; eu vo-las trarei para fora, e
lhes fareis como bem vos parecer: somente nada
façais a estes homens, porquanto entraram
debaixo da sombra do meu telhado.
9. Maar zij zeiden: Ga op zij! En zij zeiden: Deze
ene is als vreemdeling komen vertoeven om ons
geheel en al de wet te stellen! Nu zullen wij u
meer kwaad doen dan hun. En zij drongen sterk
op tegen de man, tegen Lot, en kwamen naderbij
om de deur open te breken.
9. Eles, porém, disseram: Sai daí. Disseram mais:
Esse indivíduo, como estrangeiro veio aqui
habitar, e quer se arvorar em juiz! Agora te
faremos mais mal a ti do que a eles. E
arremessaram-se sobre o homem, isto é, sobre Ló,
e aproximavam-se para arrombar a porta.
10. Maar die mannen staken hun hand uit,
trokken Lot tot zich naar binnen en sloten de
deur.
10. Aqueles homens, porém, estendendo as mãos,
fizeram Ló entrar para dentro da casa, e fecharam
a porta;
11. En de lieden, die bij de ingang van het huis
waren, sloegen zij met blindheid, van klein tot
groot, zodat zij zich tevergeefs moeite gaven om
de ingang te vinden.
11. e feriram de cegueira os que estavam do lado
de fora, tanto pequenos como grandes, de maneira
que cansaram de procurar a porta.
30