Page 34 - fullnew

This is a SEO version of fullnew. Click here to view full version

« Previous Page Table of Contents Next Page »
12. Toen zeiden die mannen tot Lot: Wie hebt gij
hier nog meer? Schoonzoons, of uw zonen, uw
dochters, of wie gij ook in de stad hebt, voer hen
uit deze plaats,
12. Então disseram os homens a Ló: Tens mais
alguém aqui? Teu genro, e teus filhos, e tuas
filhas, e todos quantos tens na cidade, tira-os para
fora deste lugar;
13. want wij gaan deze plaats verwoesten; want
groot is het geroep over haar voor de Here;
daarom heeft de Here ons gezonden om haar te
verwoesten.
13. porque nós vamos destruir este lugar,
porquanto o seu clamor se tem avolumado diante
do Senhor, e o Senhor nos enviou a destruí-lo.
14. Toen ging Lot heen en sprak tot zijn
schoonzoons, die met zijn dochters zouden
trouwen, en zeide: Staat op, verlaat deze plaats,
want de Here gaat de stad verwoesten. Maar hij
was in de ogen van zijn schoonzoons als iemand
die schertste.
14. Tendo saído Ló, falou com seus genros, que
haviam de casar com suas filhas, e disse-lhes:
Levantai-vos, saí deste lugar, porque o Senhor há
de destruir a cidade. Mas ele pareceu aos seus
genros como quem estava zombando.
15. Toen de dageraad gekomen was, drongen de
engelen bij Lot op spoed aan en zeiden: Sta op,
neem uw vrouw en uw beide dochters, die zich
hier bevinden, opdat gij niet vanwege de
ongerechtigheid der stad verdelgd wordt.
15. E ao amanhecer os anjos apertavam com Ló,
dizendo: levanta-te, toma tua mulher e tuas duas
filhas que aqui estão, para que não pereças no
castigo da cidade.
16. En toen hij talmde, grepen de mannen hem en
zijn vrouw en zijn beide dochters bij de hand,
omdat de Here hem wilde sparen, en leidden hem
uit en brachten hem buiten de stad.
16. Ele, porém, se demorava; pelo que os homens
pegaram-lhe pela mão a ele, à sua mulher, e às
suas filhas, sendo-lhe misericordioso o Senhor.
Assim o tiraram e o puseram fora da cidade.
17. En zodra zij hen naar buiten geleid hadden,
zeide een van hen: Vlucht om uws levens wil; zie
niet om, en sta nergens in de Streek stil; vlucht
naar het gebergte, opdat gij niet verdelgd wordt.
17. Quando os tinham tirado para fora, disse um
deles: Escapa-te, salva tua vida; não olhes para
trás de ti, nem te detenhas em toda esta planície;
escapa-te lá para o monte, para que não pereças.
18. En Lot zeide tot hen: Neen toch, mijn heer. 18. Respondeu-lhe Ló: Ah, assim não, meu
Senhor!
19. Zie toch, uw knecht heeft genade gevonden in
uw ogen, en gij hebt mij een grote weldaad
bewezen door mij in het leven te behouden, maar
ik zal niet naar het gebergte kunnen ontkomen,
zonder dat het onheil mij achterhaalt en ik sterf.
19. Eis que agora o teu servo tem achado graça
aos teus olhos, e tens engrandecido a tua
misericórdia que a mim me fizeste, salvando-me
a vida; mas eu não posso escapar-me para o
monte; não seja caso me apanhe antes este mal, e
eu morra.
20. Zie toch, gindse stad is dicht genoeg bij om
daarheen de wijk te nemen; zij is maar klein; laat
mij toch daarheen vluchten; zij is immers klein?
Dan zal ik in het leven blijven.
20. Eis ali perto aquela cidade, para a qual eu
posso fugir, e é pequena. Permite que eu me
escape para lá (porventura não é pequena?), e
viverá a minha alma.
21. Toen zeide hij tot hem: Zie, ik zal u ook in dit
opzicht ter wille zijn, dat ik de stad, waarvan gij
gesproken hebt, niet zal omkeren.
21. Disse-lhe: Quanto a isso também te hei
atendido, para não subverter a cidade de que
acabas de falar.
22. Haast u, vlucht daarheen, want ik zal niets
kunnen doen, voordat gij daar aangekomen zijt.
22. Apressa-te, escapa-te para lá; porque nada
poderei fazer enquanto não tiveres ali chegado.
Por isso se chamou o nome da cidade Zoar.
23. (SV-) Daarom noemt men die stad Soar.
(SV-) De zon was over de aarde opgegaan, toen
Lot te Soar aankwam.
23. Tinha saído o sol sobre a terra, quando Ló
entrou em Zoar.
24. Toen liet de Here zwavel en vuur op Sodom
en Gomorra regenen, van de Here, uit de hemel;
24. Então o Senhor, da sua parte, fez chover do
céu enxofre e fogo sobre Sodoma e Gomorra.
31