Page 36 - fullnew

This is a SEO version of fullnew. Click here to view full version

« Previous Page Table of Contents Next Page »
Genesis 20
Gênesis 20
1. Abraham nu brak vandaar op naar het
Zuiderland en vestigde zich tussen Kades en Sur,
en vertoefde als vreemdeling in Gerar.
1. Partiu Abraão dali para a terra do Negebe, e
habitou entre Cades e Sur; e peregrinou em Gerar.
2. Daar Abraham van zijn vrouw Sara gezegd
had: Zij is mijn zuster, liet Abimelek, de koning
van Gerar, Sara weghalen.
2. E havendo Abraão dito de Sara, sua mulher: É
minha irmã; enviou Abimeleque, rei de Gerar, e
tomou a Sara.
3. Maar God kwam des nachts in een droom tot
Abimelek en zeide tot hem: Zie, gij zijt een kind
des doods, omdat gij die vrouw genomen hebt,
want zij is gehuwd.
3. Deus, porém, veio a Abimeleque, em sonhos,
de noite, e disse-lhe: Eis que estás para morrer
por causa da mulher que tomaste; porque ela tem
marido.
4. Abimelek nu was niet tot haar genaderd. En hij
zeide: Here, zult Gij dan een rechtvaardig volk
doden?
4. Ora, Abimeleque ainda não se havia chegado a
ela: perguntou, pois: Senhor matarás porventura
também uma nação justa?
5. Heeft hij zelf niet tot mij gezegd: Zij is mijn
zuster? En zij heeft zelf ook gezegd: Hij is mijn
broeder; in onschuld mijns harten en reinheid
mijner handen heb ik dit gedaan.
5. Não me disse ele mesmo: É minha irmã? e ela
mesma me disse: Ele é meu irmão; na sinceridade
do meu coração e na inocência das minhas mãos
fiz isto.
6. En God zeide tot hem in de droom: Ik weet
ook, dat gij het in onschuld uws harten gedaan
hebt, Ik heb u dan ook ervan weerhouden tegen
Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten
haar aan te raken.
6. Ao que Deus lhe respondeu em sonhos: Bem
sei eu que na sinceridade do teu coração fizeste
isto; e também eu te tenho impedido de pecar
contra mim; por isso não te permiti tocá-la;
7. En nu breng de vrouw van deze man terug,
want hij is een profeet; dan zal hij voor u bidden,
opdat gij in het leven moogt blijven; maar indien
gij haar niet terugbrengt, weet, dat gij voorzeker
zult sterven, gij en al de uwen.
7. agora, pois, restitui a mulher a seu marido,
porque ele é profeta, e intercederá por ti, e
viverás; se, porém, não lha restituíres, sabe que
certamente morrerás, tu e tudo o que é teu.
8. De volgende morgen vroeg riep Abimelek al
zijn dienaren en bracht dit alles te hunner kennis,
en de mannen werden zeer bevreesd.
8. Levantou-se Abimeleque de manhã cedo e,
chamando a todos os seus servos, falou-lhes aos
ouvidos todas estas palavras; e os homens
temeram muito.
9. Voorts riep Abimelek Abraham en zeide tot
hem: Wat hebt gij ons aangedaan, en waarin heb
ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en mijn
koninkrijk een grote zonde hebt gebracht? Gij
hebt tegenover mij dingen gedaan, die niet
gedaan mochten worden.
9. Então chamou Abimeleque a Abraão e lhe
perguntou: Que é que nos fizeste? e em que
pequei contra ti, para trazeres sobre mim o sobre
o meu reino tamanho pecado? Tu me fizeste o
que não se deve fazer.
10. Ook zeide Abimelek tot Abraham: Wat hebt
gij beoogd, dat gij dit deedt?
10. Perguntou mais Abimeleque a Abraão: Com
que intenção fizeste isto?
11. Toen zeide Abraham: Ik dacht: wellicht is er
geen vreze Gods in deze plaats; zij zullen mij
doden om mijn vrouw.
11. Respondeu Abraão: Porque pensei:
Certamente não há temor de Deus neste lugar;
matar-me-ão por causa da minha mulher.
12. En bovendien is zij werkelijk mijn zuster; zij
is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter
van mijn moeder; en zij is mij tot vrouw
geworden.
12. Além disso ela é realmente minha irmã, filha
de meu pai, ainda que não de minha mãe; e veio a
ser minha mulher.
13. Toen God mij uit mijns vaders huis liet
omzwerven, zeide ik tot haar: Dit zal de
liefdedienst zijn, die gij mij bewijzen zult: zeg
van mij op elke plaats, waar wij komen: hij is
mijn broeder.
13. Quando Deus me fez sair errante da casa de
meu pai, eu lhe disse a ela: Esta é a graça que me
farás: em todo lugar aonde formos, dize de mim:
Ele é meu irmão.
33