Page 41 - fullnew

This is a SEO version of fullnew. Click here to view full version

« Previous Page Table of Contents Next Page »
Genesis 23
Gênesis 23
1. En Sara leefde honderd zevenentwintig jaar; dit
waren de jaren van Sara's leven.
1. Ora, os anos da vida de Sara foram cento e
vinte e sete.
2. En Sara stierf te Kirjat-arba, dat is Hebron, in
het land Kanaan, en Abraham ging naar binnen
om over Sara te weeklagen en haar te bewenen.
2. E morreu Sara em Quiriate-Arba, que é
Hebrom, na terra de Canaã; e veio Abraão
lamentá-la e chorar por ela:
3. Toen stond Abraham op, en ging heen van zijn
dode, en sprak tot de Hethieten:
3. Depois se levantou Abraão de diante do seu
morto, e falou aos filhos de Hete, dizendo:
4. Een vreemdeling en bijwoner ben ik bij u,
geeft mij een eigen grafstede bij u, opdat ik mijn
dode moge uitdragen en begraven.
4. Estrangeiro e peregrino sou eu entre vós; dai-
me o direito de um lugar de sepultura entre vós,
para que eu sepulte o meu morto, removendo-o de
diante da minha face.
5. Toen antwoordden de Hethieten Abraham en
zeiden tot hem:
5. Responderam-lhe os filhos de Hete:
6. Luister naar ons, mijn heer, een vorst Gods zijt
gij in ons midden: begraaf uw dode in de keur
onzer grafsteden; niemand van ons zal u zijn
grafstede weigeren om uw dode te begraven.
6. Ouve-nos, senhor; príncipe de Deus és tu entre
nós; enterra o teu morto na mais escolhida de
nossas sepulturas; nenhum de nós te vedará a sua
sepultura, para enterrares o teu morto.
7. Daarna stond Abraham op, wierp zich neder
voor het volk des lands, de Hethieten, en sprak tot
hen:
7. Então se levantou Abraão e, inclinando-se
diante do povo da terra, diante dos filhos de Hete,
8. Indien het naar uw wil is, dat ik mijn dode
uitdrage en begrave, luistert dan naar mij en
dringt voor mij bij Efron, de zoon van Sochar,
erop aan,
8. falou-lhes, dizendo: Se é de vossa vontade que
eu sepulte o meu morto de diante de minha face,
ouvi-me e intercedei por mim junto a Efrom, filho
de Zoar,
9. dat hij mij de spelonk van Makpela geve,
welke hem toebehoort en aan het einde van zijn
veld ligt; hij geve mij die voor de volle prijs tot
een eigen grafstede onder u.
9. para que ele me dê a cova de Macpela, que
possui no fim do seu campo; que ma dê pelo
devido preço em posse de sepulcro no meio de
vós.
10. Efron nu was een gezeten man onder de
Hethieten. En de Hethiet Efron antwoordde
Abraham ten aanhoren van de Hethieten, van
allen die de poort zijner stad ingingen:
10. Ora, Efrom estava sentado no meio dos filhos
de Hete; e respondeu Efrom, o heteu, a Abraão,
aos ouvidos dos filhos de Hete, isto é, de todos os
que entravam pela porta da sua cidade, dizendo:
11. Neen, mijn heer, luister naar mij; het veld
geef ik u en de spelonk aldaar geef ik u: in
tegenwoordigheid van mijn volksgenoten geef ik
het u; begraaf uw dode.
11. Não, meu senhor; ouve-me. O campo te dou,
também te dou a cova que nele está; na presença
dos filhos do meu povo ta dou; sepulta o teu
morto.
12. Toen wierp Abraham zich neder voor het volk
des lands,
12. Então Abraão se inclinou diante do povo da
terra,
13. en sprak tot Efron ten aanhoren van het volk
des lands: Waarlijk, indien gij genegen zijt,
luister dan naar mij: ik geef de prijs van het veld;
neem die van mij aan, opdat ik mijn dode daar
begrave.
13. e falou a Efrom, aos ouvidos do povo da terra,
dizendo: Se te agrada, peço-te que me ouças.
Darei o preço do campo; toma-o de mim, e
sepultarei ali o meu morto.
14. En Efron antwoordde Abraham en zeide tot
hem:
14. Respondeu Efrom a Abraão:
15. Och, mijn heer, luister naar mij: een stuk land
van vierhonderd sikkelen zilver, wat maakt dat uit
tussen mij en u? Begraaf toch uw dode.
15. Meu senhor, ouve-me. Um terreno do valor de
quatrocentos siclos de prata! que é isto entre mim
e ti? Sepulta, pois, o teu morto.
38