16. Toen hoorde Abraham naar Efron, en
Abraham woog aan Efron het geld af, waarvan hij
gesproken had ten aanhoren der Hethieten,
vierhonderd sikkelen zilver, gangbaar bij de
koopman.
16. E Abraão ouviu a Efrom, e pesou-lhe a prata
de que este tinha falado aos ouvidos dos filhos de
Hete, quatrocentos siclos de prata, moeda
corrente entre os mercadores.
17. Zo ging het veld van Efron, dat in Makpela
tegenover Mamre ligt, het veld en de spelonk
aldaar, en al het geboomte op het veld, op het
gehele terrein ervan rondom,
17. Assim o campo de Efrom, que estava em
Macpela, em frente de Manre, o campo e a cova
que nele estava, e todo o arvoredo que havia nele,
por todos os seus limites ao redor, se
confirmaram
18. in eigendom aan Abraham over, in
tegenwoordigheid van de Hethieten, van allen die
de poort zijner stad ingingen.
18. a Abraão em possessão na presença dos filhos
de Hete, isto é, de todos os que entravam pela
porta da sua cidade.
19. Daarna heeft Abraham zijn vrouw Sara
begraven in de spelonk van het veld van
Makpela, tegenover Mamre, dat is Hebron, in het
land Kanaan.
19. Depois sepultou Abraão a Sara sua mulher na
cova do campo de Macpela, em frente de Manre,
que é Hebrom, na terra de Canaã.
20. Zo is het veld met de spelonk aldaar van de
Hethieten aan Abraham overgegaan tot een eigen
grafstede.
20. Assim o campo e a cova que nele estava
foram confirmados a Abraão pelos filhos de Hete
em possessão de sepultura.
Genesis 24
Gênesis 24
1. Abraham nu was oud en hoogbejaard, en de
Here had Abraham in alles gezegend.
1. Ora, Abraão era já velho e de idade avançada;
e em tudo o Senhor o havia abençoado.
2. En Abraham zeide tot zijn knecht, de oudste in
zijn huis, die alles wat hij had bestuurde: Leg
toch uw hand onder mijn heup,
2. E disse Abraão ao seu servo, o mais antigo da
casa, que tinha o governo sobre tudo o que
possuía: Põe a tua mão debaixo da minha coxa,
3. opdat ik u doe zweren bij de Here, de God des
hemels en der aarde, dat gij voor mijn zoon geen
vrouw zult nemen uit de dochters der
Kanaanieten, in wier midden ik woon.
3. para que eu te faça jurar pelo Senhor, Deus do
céu e da terra, que não tomarás para meu filho
mulher dentre as filhas dos cananeus, no meio dos
quais eu habito;
4. Maar gij zult naar mijn land en naar mijn
maagschap gaan om een vrouw te nemen voor
mijn zoon Isaak.
4. mas que irás à minha terra e à minha parentela,
e dali tomarás mulher para meu filho Isaque.
5. Toen zeide de knecht tot hem: Misschien zal
die vrouw mij niet willen volgen naar dit land;
moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land,
vanwaar gij uitgetrokken zijt?
5. Perguntou-lhe o servo: Se porventura a mulher
não quiser seguir-me a esta terra, farei, então,
tornar teu filho à terra donde saíste?
6. Maar Abraham zeide tot hem: Wacht u ervoor
mijn zoon daarheen terug te brengen.
6. Respondeu-lhe Abraão: Guarda-te de fazeres
tornar para lá meu filho.
7. De Here, de God des hemels, die mij genomen
heeft uit mijns vaders huis en uit het land mijner
maagschap, en die tot mij gesproken heeft, en mij
heeft gezworen: aan uw nageslacht zal Ik dit land
geven, Hij zal zijn engel voor uw aangezicht
zenden, en gij zult vandaar voor mijn zoon een
vrouw nemen.
7. O Senhor, Deus do céu, que me tirou da casa
de meu pai e da terra da minha parentela, e que
me falou, e que me jurou, dizendo: À tua o
semente darei esta terra; ele enviará o seu anjo
diante de si, para que tomes de lá mulher para
meu filho.
8. Indien echter die vrouw u niet wil volgen, zult
gij van deze eed aan mij ontslagen zijn; alleen, gij
zult mijn zoon daarheen niet terugbrengen.
8. Se a mulher, porém, não quiser seguir-te, serás
livre deste meu juramento; somente não farás
meu filho tornar para lá.
39