Page 43 - fullnew

This is a SEO version of fullnew. Click here to view full version

« Previous Page Table of Contents Next Page »
9. Toen legde de knecht zijn hand onder de heup
van zijn heer Abraham, en zwoer hem, wat hij
gevraagd had.
9. Então pôs o servo a sua mão debaixo da coxa
de Abraão seu senhor, e jurou-lhe sobre este
negócio.
10. Hierop nam de knecht tien van de kamelen
van zijn heer en ging op weg met allerlei
kostbaarheden van zijn heer bij zich; hij maakte
zich op en ging naar Mesopotamie, naar de stad
van Nachor.
10. Tomou, pois, o servo dez dos camelos do seu
senhor, porquanto todos os bens de seu senhor
estavam em sua mão; e, partindo, foi para a
Mesopotâmia, à cidade de Naor.
11. En hij liet de kamelen neerknielen buiten de
stad bij een waterput, tegen de avond, de tijd, dat
de vrouwen uitgaan om te putten.
11. Fez ajoelhar os camelos fora da cidade, junto
ao poço de água, pela tarde, à hora em que as
mulheres saíam a tirar água.
12. Toen zeide hij: Here, God van mijn heer
Abraham, laat mij toch heden slagen en bewijs
genade aan mijn heer Abraham.
12. E disse: Ó Senhor, Deus de meu senhor
Abraão, dá-me hoje, peço-te, bom êxito, e usa de
benevolência para com o meu senhor Abraão.
13. Ik sta hier bij de waterbron, en de dochters
van de mannen der stad gaan uit om water te
putten.
13. Eis que eu estou em pé junto à fonte, e as
filhas dos homens desta cidade vêm saindo para
tirar água;
14. Laat het nu zo zijn, dat het meisje, tot wie ik
zeg: Neig toch uw kruik, opdat ik drinke, en dat
zegt: Drink, en ook uw kamelen zal ik drenken;
dat Gij haar hebt bestemd voor uw knecht Isaak;
dan zal ik daaraan weten, dat Gij genade bewezen
hebt aan mijn heer.
14. faze, pois, que a donzela a quem eu disser:
Abaixa o teu cântaro, peço-te, para que eu beba; e
ela responder: Bebe, e também darei de beber aos
teus camelos; seja aquela que designaste para o
teu servo Isaque. Assim conhecerei que usaste de
benevolência para com o meu senhor.
15. Hij was nog niet uitgesproken, of zie,
Rebekka, die geboren was aan Betuel, de zoon
van Milka, de vrouw van Nachor, de broeder van
Abraham, kwam naar buiten met haar kruik op
haar schouder.
15. Antes que ele acabasse de falar, eis que
Rebeca, filha de Betuel, filho de Milca, mulher de
Naor, irmão de Abraão, saía com o seu cântaro
sobre o ombro.
16. En het meisje was zeer schoon van uiterlijk,
een maagd, met wie geen man gemeenschap had
gehad. Zij daalde af naar de bron, vulde haar
kruik, en kwam naar boven.
16. A donzela era muito formosa à vista, virgem,
a quem varão não havia conhecido; ela desceu à
fonte, encheu o seu cântaro e subiu.
17. Toen liep de knecht haar tegemoet en zeide:
Laat mij toch een weinig water drinken uit uw
kruik.
17. Então o servo correu-lhe ao encontro, e disse:
Deixa-me beber, peço-te, um pouco de água do
teu cântaro.
18. Daarop zeide zij: Drink, mijn heer, en zij liet
haar kruik snel op haar hand neerglijden, en gaf
hem te drinken.
18. Respondeu ela: Bebe, meu senhor. Então com
presteza abaixou o seu cântaro sobre a mão e deu-
lhe de beber.
19. Toen zij hem genoeg had laten drinken, zeide
zij: Ik zal ook voor uw kamelen putten, totdat zij
genoeg gedronken hebben.
19. E quando acabou de lhe dar de beber, disse:
Tirarei também água para os teus camelos, até
que acabem de beber.
20. Daarop goot zij snel haar kruik leeg in de
drinkbak, liep andermaal naar de put om te
scheppen en putte voor al zijn kamelen.
20. Também com presteza despejou o seu cântaro
no bebedouro e, correndo outra vez ao poço, tirou
água para todos os camelos dele.
21. En de man sloeg haar zwijgend gade om te
weten, of de Here zijn weg voorspoedig gemaakt
had of niet.
21. E o homem a contemplava atentamente, em
silêncio, para saber se o Senhor havia tornado
próspera a sua jornada, ou não.
22. Toen de kamelen genoeg gedronken hadden,
nam de man een gouden ring van een halve sikkel
in gewicht, en twee armbanden van tien halve
sikkelen goud in gewicht,
22. Depois que os camelos acabaram de beber,
tomou o homem um pendente de ouro, de meio
siclo de peso, e duas pulseiras para as mãos dela,
do peso de dez siclos de ouro;
40