23. en hij zeide: Wiens dochter zijt gij? Vertel het
mij toch. Is er in uws vaders huis voor ons plaats
om te overnachten?
23. e perguntou: De quem és filha? dize-mo,
peço-te. Há lugar em casa de teu pai para nós
pousarmos?
24. Daarop zeide zij tot hem: Ik ben de dochter
van Betuel, de zoon van Milka, die zij Nachor
gebaard heeft.
24. Ela lhe respondeu: Eu sou filha de Betuel,
filho de Milca, o qual ela deu a Naor.
25. Verder zeide zij tot hem: Er is bij ons zowel
stro als voeder in overvloed, ook plaats om te
overnachten.
25. Disse-lhe mais: Temos palha e forragem
bastante, e lugar para pousar.
26. Toen boog de man zijn knieen en wierp zich
neder voor de Here,
26. Então inclinou-se o homem e adorou ao
Senhor;
27. en zeide: Geprezen zij de Here, de God van
mijn heer Abraham, die zijn goedertierenheid en
trouw niet onttrokken heeft aan mijn heer; wat
mij aangaat, de Here heeft mij geleid op de weg
naar het huis der broeders van mijn heer.
27. e disse: Bendito seja o Senhor Deus de meu
senhor Abraão, que não retirou do meu senhor a
sua benevolência e a sua verdade; quanto a mim,
o Senhor me guiou no caminho à casa dos irmãos
de meu senhor.
28. En het meisje snelde heen en verhaalde het
gebeurde aan haar moeders huis.
28. A donzela correu, e relatou estas coisas aos da
casa de sua mãe.
29. Rebekka nu had een broeder, die Laban
heette. En Laban snelde naar de man, naar buiten,
bij de bron.
29. Ora, Rebeca tinha um irmão, cujo nome era
Labão, o qual saiu correndo ao encontro daquele
homem até a fonte;
30. Zodra hij namelijk de ring gezien had en de
armbanden aan de handen van zijn zuster, en
zodra hij de woorden van zijn zuster Rebekka
gehoord had: Zo heeft die man tot mij gesproken,
ging hij naar de man toe; en zie, deze stond bij de
kamelen aan de bron.
30. porquanto tinha visto o pendente, e as
pulseiras sobre as mãos de sua irmã, e ouvido as
palavras de sua irmã Rebeca, que dizia: Assim me
falou aquele homem; e foi ter com o homem, que
estava em pé junto aos camelos ao lado da fonte.
31. En hij zeide: Kom, gij gezegende des Heren,
waarom staat gij buiten, terwijl ik reeds het huis
gereed gemaakt heb en ook de plaats voor de
kamelen.
31. E disse: Entra, bendito do Senhor; por que
estás aqui fora? pois eu já preparei a casa, e lugar
para os camelos.
32. Toen kwam de man in huis. En men
ontzadelde de kamelen, gaf aan de kamelen stro
en voeder en bracht water om zijn voeten en de
voeten der mannen die bij hem waren, te wassen.
32. Então veio o homem à casa, e desarreou os
camelos; deram palha e forragem para os camelos
e água para lavar os pés dele e dos homens que
estavam com ele.
33. Maar toen hem te eten werd voorgezet, zeide
hij: Ik zal niet eten, voordat ik mijn woord
gesproken heb. En hij zeide: Spreek.
33. Depois puseram comida diante dele. Ele,
porém, disse: Não comerei, até que tenha exposto
a minha incumbência. Respondeu-lhe Labão:
Fala.
34. Daarop zeide hij: Ik ben de knecht van
Abraham.
34. Então disse: Eu sou o servo de Abraão.
35. De Here heeft mijn heer zeer gezegend, zodat
hij rijk geworden is; Hij heeft hem gegeven
kleinvee en runderen, zilver en goud, slaven en
slavinnen kamelen en ezels.
35. O Senhor tem abençoado muito ao meu
senhor, o qual se tem engrandecido; deu-lhe
rebanhos e gado, prata e ouro, escravos e
escravas, camelos e jumentos.
36. En Sara, de vrouw van mijn heer, heeft mijn
heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden
was, en hij heeft hem gegeven alles wat hij bezit.
36. E Sara, a mulher do meu senhor, mesmo
depois de velha, deu um filho a meu senhor; e o
pai lhe deu todos os seus bens.
37. Nu heeft mijn heer mij doen zweren: Gij zult
voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de
dochters der Kanaanieten, in wier land ik woon,
37. Ora, o meu senhor me fez jurar, dizendo: Não
tomarás mulher para meu filho das filhas dos
cananeus, em cuja terra habito;
41