38. maar gij zult naar mijns vaders huis gaan en
naar mijn geslacht, en daar een vrouw voor mijn
zoon nemen.
38. irás, porém, à casa de meu pai, e à minha
parentela, e tomarás mulher para meu filho.
39. En ik zeide tot mijn heer: Misschien zal die
vrouw mij niet volgen.
39. Então respondi ao meu senhor: Porventura
não me seguirá a mulher.
40. Maar hij zeide tot mij: De Here, voor wiens
aangezicht ik gewandeld heb, zal zijn engel met u
zenden, en zal uw weg voorspoedig maken, zodat
gij voor mijn zoon een vrouw zult nemen uit mijn
geslacht en uit mijns vaders huis.
40. Ao que ele me disse: O Senhor, em cuja
presença tenho andado, enviará o seu anjo
contigo, e prosperará o teu caminho; e da minha
parentela e da casa de meu pai tomarás mulher
para meu filho;
41. Slechts dan zult gij ontslagen zijn van de eed
aan mij, wanneer gij komt tot mijn geslacht, en
men haar aan u niet wil geven; dan zult gij
ontslagen zijn van de eed aan mij.
41. então serás livre do meu juramento, quando
chegares à minha parentela; e se não ta derem,
livre serás do meu juramento.
42. Nu kwam ik heden bij de bron, en ik zeide:
Here, God van mijn heer Abraham, wil toch de
weg, waarop ik ga, voorspoedig maken;
42. E hoje cheguei à fonte, e disse: Senhor, Deus
de meu senhor Abraão, se é que agora prosperas o
meu caminho, o qual venho seguindo,
43. zie, ik sta bij de waterbron; laat het nu zo zijn
dat de maagd, die naar buiten komt om te putten
en die, als ik tot haar zeg: Geef mij toch een
weinig water te drinken uit uw kruik, (SV-) tot
mij zal zeggen:
43. eis que estou junto à fonte; faze, pois, que a
donzela que sair para tirar água, a quem eu disser:
Dá-me, peço-te, de beber um pouco de água do
teu cântaro,
44. Drink zelf, en ook voor uw kamelen zal ik
putten, dat zij de vrouw zal zijn die de Here voor
de zoon van mijn heer bestemd heeft.
44. e ela me responder: Bebe tu, e também tirarei
água para os teus camelos; seja a mulher que o
Senhor designou para o filho de meu senhor.
45. Ik had dit nog nauwelijks bij mijzelf gezegd,
of zie, Rebekka kwam naar buiten met haar kruik
op haar schouder, en zij daalde af naar de bron,
en putte. En ik zeide tot haar: Geef mij toch te
drinken.
45. Ora, antes que eu acabasse de falar no meu
coração, eis que Rebeca saía com o seu cântaro
sobre o ombro, desceu à fonte e tirou água; e eu
lhe disse: Dá-me de beber, peço-te.
46. Toen liet zij snel haar kruik neerglijden en zij
zeide: Drink, en ook uw kamelen zal ik drenken.
Toen dronk ik, en ook de kamelen drenkte zij.
46. E ela, com presteza, abaixou o seu cântaro do
ombro, e disse: Bebe, e também darei de beber
aos teus camelos; assim bebi, e ela deu também
de beber aos camelos.
47. Daarop vroeg ik haar en zeide: Wiens dochter
zijt gij? En zij zeide: De dochter van Betuel, de
zoon van Nachor, die Milka hem gebaard heeft.
Toen deed ik de ring aan haar neus, en de
armbanden aan haar handen.
47. Então lhe perguntei: De quem és filha? E ela
disse: Filha de Betuel, filho de Naor, que Milca
lhe deu. Então eu lhe pus o pendente no nariz e as
pulseiras sobre as mãos;
48. Ik boog mijn knieen en wierp mij neder voor
de Here, en ik prees de Here, de God van mijn
heer Abraham, die mij op de rechte weg geleid
had om de dochter van de broeder van mijn heer
voor zijn zoon te nemen.
48. e, inclinando-me, adorei e bendisse ao
Senhor, Deus do meu senhor Abraão, que me
havia conduzido pelo caminho direito para tomar
para seu filho a filha do irmão do meu senhor.
49. En nu, indien gij liefde en trouw wilt
bewijzen aan mijn heer, laat het mij weten; en zo
niet, laat het mij ook weten, opdat ik mij naar
rechts of naar links wende.
49. Agora, pois, se vós haveis de usar de
benevolência e de verdade para com o meu
senhor, declarai-mo; e se não, também mo
declarai, para que eu vá ou para a direita ou para
a esquerda.
42