50. Toen antwoordde Laban, alsook Betuel en zij
zeiden: Dit is een bestiering van de Here; wij
kunnen niets tot u zeggen, ten kwade of ten
goede.
50. Então responderam Labão e Betuel: Do
Senhor procede este negócio; nós não podemos
falar-te mal ou bem.
51. Zie, daar is Rebekka, neem haar en ga heen,
opdat zij de vrouw worde van de zoon van uw
heer, zoals de Here gesproken heeft.
51. Eis que Rebeca está diante de ti, toma-a e vai-
te; seja ela a mulher do filho de teu senhor, como
tem dito o Senhor.
52. Toen de knecht van Abraham hun woorden
hoorde, wierp hij zich ter aarde neder voor de
Here.
52. Quando o servo de Abraão ouviu as palavras
deles, prostrou-se em terra diante do Senhor:
53. En de knecht bracht zilveren en gouden
sieraden te voorschijn, en klederen, en gaf deze
aan Rebekka; ook gaf hij aan haar broeder en aan
haar moeder kostbare geschenken.
53. e tirou o servo jóias de prata, e jóias de ouro,
e vestidos, e deu-os a Rebeca; também deu coisas
preciosas a seu irmão e a sua mãe.
54. Daarna aten en dronken zij, hij en de mannen
die bij hem waren, en zij overnachtten er. Toen
zij des morgens opstonden, zeide hij: Laat mij
naar mijn heer gaan.
54. Então comeram e beberam, ele e os homens
que com ele estavam, e passaram a noite. Quando
se levantaram de manhã, disse o servo: Deixai-me
ir a meu senhor.
55. Doch haar broeder zeide, alsook haar moeder:
Laat het meisje een dag of tien bij ons blijven, ga
daarna heen.
55. Disseram o irmão e a mãe da donzela: Fique
ela conosco alguns dias, pelo menos dez dias; e
depois irá.
56. Hij echter zeide tot hen: Houd mij niet op, nu
de Here mijn weg voorspoedig gemaakt heeft;
laat mij vertrekken, opdat ik naar mijn heer ga.
56. Ele, porém, lhes respondeu: Não me detenhas,
visto que o Senhor me tem prosperado o
caminho; deixai-me partir, para que eu volte a
meu senhor.
57. Daarop zeiden zij: Laten wij het meisje
roepen en het haar zelf vragen.
57. Disseram-lhe: chamaremos a donzela, e
perguntaremos a ela mesma.
58. Toen riepen zij Rebekka en zeiden tot haar:
Wilt gij met deze man meegaan? En zij zeide: Ja.
58. Chamaram, pois, a Rebeca, e lhe
perguntaram: Irás tu com este homem;
Respondeu ela: Irei.
59. Zij dan lieten hun zuster Rebekka en haar
voedster en de knecht van Abraham en zijn
mannen gaan.
59. Então despediram a Rebeca, sua irmã, e à sua
ama e ao servo de Abraão e a seus homens;
60. En zij zegenden Rebekka en zeiden tot haar:
Onze zuster, moogt gij tot duizenden van
tienduizenden worden, en uw nageslacht bezitte
de poort van zijn haters.
60. e abençoaram a Rebeca, e disseram-lhe: Irmã
nossa, sê tu a mãe de milhares de miríades, e
possua a tua descendência a porta de seus
aborrecedores!
61. Toen maakte Rebekka zich met haar
dienstmaagden gereed en zij reden op kamelen
weg, en volgden de man. De knecht nam Rebekka
mede en ging heen.
61. Assim Rebeca se levantou com as suas moças
e, montando nos camelos, seguiram o homem; e o
servo, tomando a Rebeca, partiu.
62. En Isaak kwam uit de richting van de put
Lachai-roi; hij woonde namelijk in het
Zuiderland.
62. Ora, Isaque tinha vindo do caminho de Beer-
Laai-Rói; pois habitava na terra do Negebe.
63. Isaak ging tegen het vallen van de avond uit
om te peinzen in het veld. Hij sloeg zijn ogen op,
en zag daar kamelen aankomen.
63. Saíra Isaque ao campo à tarde, para meditar; e
levantando os olhos, viu, e eis que vinham
camelos.
64. Toen Rebekka haar ogen opsloeg en Isaak
zag, liet zij zich van de kameel glijden.
64. Rebeca também levantou os olhos e, vendo a
Isaque, saltou do camelo
43